Begin van de zomer waren we op bezoek bij de streektuin van Erik den Boer, net ten westen van Arnhem. Het is een tuin met bijzondere verhalen, niet alleen vanwege de ligging en de vele soorten die er leven, maar ook vanwege de diepe wortels van de tuin.
Waar sommige streektuinen binnen een paar jaar een ware transformatie kunnen doormaken (van tegeltuin tot bijenhotspot), heeft de tuin van Erik en zijn partner Jeanne juist een heel lange geschiedenis. Tientallen jaren geleden begon Eriks vader, een bioloog, er al met verschralend maaien en het welkom heten van het natuurlijk leven uit de omgeving. Zo is het mogelijk dat veel soorten planten en dieren er al lang geleden een populatie hebben gevestigd.
Welke soorten dat allemaal zijn, werd pas veel korter geleden duidelijk. Daarover zo meer. Maar eerst iets meer over de ligging. Zoals vaker is ook dit een tuin die op de grens van twee ecologische streken ligt – de zuidflank van de Veluwe, uitkijkend over de Nederrijn. Het leuke is dat je in dat geval ook soorten uit beide streken welkom kunt heten in je tuin, zoals Erik laat zien in de video.
Zo vind je bij de vijver de kattenstaart en grote egelskop terug die kenmerkend zijn voor de sloten van de uiterwaarden. Ook het beemdkroonveldje is geïnspireerd op de riviernatuur onderaan de tuin.
En bijvoorbeeld Robertskruid en vingerhoedskruid zijn dan weer typerend voor de bossen aan de andere kant van de tuin, net als de grote hoeveelheden prachtig bloeiende bosandoorn. Zulke streekbloemen worden gevonden door streekgebonden insecten, zoals de andoornbij en de bosandoornbochelwants – wat betekent dat de bosandoorn in Eriks tuin ‘in verbinding’ staat met wilde groeiplekken van dezelfde plant langs boszomen verderop, van waaruit deze gespecialiseerde insecten hun waardplant ook in de tuin hebben gevonden. (Inderdaad, de streektuingedachte!)
Het bronbeek-rennertje en de knautiabij
Toen Erik de tuin enkele jaren geleden overnam, begon ook het grote tellen. Bijzonder is dat hij dat tellen samen doet met zijn buurman Floris van Kuijk van de Vogelbescherming, (vanzelfsprekend) ook een groot natuurliefhebber. In beide tuinen samen troffen ze al meer dan tweeduizend soorten aan, waaronder het bronbeek-rennertje, een zeldzame schietmot die profiteert van het beekje dat als begrenzing aan de achterkant van de tuin van de stuwwal naar beneden kabbelt.
Je krijgt niet alle lokale zeldzaamheden zomaar in de schoot geworpen. Soms heb je geduld en geluk nodig, en zeker ook inzet. Zo zet Erik den Boer zich samen met een groep buren in voor versterking van een zeldzame bijensoort, die lokaal nog voorkomt: de knautiabij. Deze bij is voor het stuifmeel volledig afhankelijk van beemdkroon (en duifkruid). Naarmate deze weidebloem zeldzamer werd in de uiterwaarden en andere bloemrijke graslanden, moeten veel populaties van deze grondnestelende bijensoort verdwenen zijn. De laatste bolwerken liggen nu rond Zuid-Limburg, Nijmegen, Arnhem, met bijvoorbeeld nog een kleinere populatie bij Dordrecht. Wie de knautiabij in deze gebieden een boost wil geven, heeft eigenlijk een vrij eenvoudig handelingsperspectief: beemdkroon planten of zaaien. Dat doen inwoners van Arnhem in hun streektuinen en dat doen Erik en buren ook in Oosterbeek.
Daar moet bij gezegd worden dat de knautiabij wel een kieskeurige klant is: uit onderzoek blijken er al gauw zo’n vijftig planten beemdkroon nodig te zijn voor succesvolle voortplanting – maar zeker met meerdere tuinen bij elkaar is dat zeker mogelijk. Tot die tijd kan je met beemdkroon gegarandeerd genieten van al het andere leven dat op de nectarrijke lila bloemen afkomt, zoals breedbandgroefbijen, allerlei soorten metselbijen, zweefvliegen en vlinders.
‘Ga vooral ook zelf tellen’
Erik den Boer moedigt ook anderen aan om de tel te gaan bijhouden in eigen tuin. Maar hij voegt daar in het slot van de video nog een waardevolle opmerking aan toe: we moeten bewust zijn van het ‘waarnemerseffect’ en niet de ogen sluiten voor de big picture. Het waarnemerseffect houdt in dat als je goed gaat zoeken naar soorten, je er ook veel kunt vinden. Dan is het oppassen dat we daar niet zomaar de conclusie uit trekken dat het dus wel prima zou gaan met de biodiversiteit. Met name vliegende insecten gaan in Nederland nog steeds razendsnel achteruit, met belangrijke soortgroepen als wilde bijen, zweefvliegen en dagvlinders helaas voorop. Hetzelfde geldt voor wilde planten, waar die insecten van afhankelijk zijn.
Toch heeft het antwoord op die achteruitgang wel degelijk óók met onze tuinen te maken – of beter gezegd met ‘micronatuur’. Kleinschalige natuur verdwijnt nog steeds op veel plekken uit het Nederlandse landschap. Terwijl uit nieuw ecologisch onderzoek blijkt dat kleinschalige natuur van onevenredig groot belang is voor de biodiversiteit. En waar wordt gewerkt aan de terugkeer van struweelheggen en natuurlijke oevers en aan ecologisch bermbeheer én tuinen met inheemse beplanting – daar is ook op landschapsschaal biodiversiteitsherstel mogelijk.
En dus besluit Erik den Boer nog met een kleine oproep: ‘weg met die hortensia’s’ (waar helaas niks in leeft) – en laten we in onze tuinen meer ruimte maken voor al die prachtige inheemse bloeiers!
