We gaan het over wilgen hebben, uitgebreid. Over streekwilgen, zoals de laurierwilg, de bittere wilg en de basterdkraakwilg. Natuurlijk over hun onmisbare rol voor voorjaarsbijen. Maar ook over hun vaak vergeten waardplantfunctie. En zelfs over hun rol voor bodemherstel.
Nou begrijpen wij dat een wilg niet op elk balkon of geveltuin past. Maar heb je een plekje van een paar vierkante meter (en ben je in het bezit van een snoeischaar)? Probeer dan één of meerdere wilgen uit – en ontdek wat een magneet voor biodiversiteit ze zijn!
We zullen bij het begin beginnen: het vroege voorjaar. Wilgen ‘openen de bloeiboog’. Dat wil zeggen dat ze met hun katjes vol nectar en stuifmeel onmisbaar zijn voor de eerste bestuivende insecten in het voorjaar. In maart en april kan je met een tuin vol wilgenkatjes soms wel tientallen verschillende soorten bijen zien. Dat is een wondere wereld waar we zometeen meer over gaan vertellen.
Toch willen we in deze wilgenspecial beklemtonen dat wilgen veel meer zijn dan de belangrijkste leverancier van nectar en stuifmeel in het voorjaar. Want ook als de (vrouwelijke) katjes in het vervolg van de lente langzaam zaden worden, blijven de bomen en struiken vol met insectenleven. En ook die insecten zijn vaak specialisten. Zij komen niet voor de bloei, maar voor het blad, zoals de verschillende soorten wilgenhaantjes en griendhaantjes, mooie glanzende, meestal egaal, maar soms bont gekleurde kevertjes, die het liefst hun hele leven doorbrengen in een wilg.

Weer andere insecten komen voor de unieke wilgensapstroom, zoals de misschien wel vijftien soorten bladluizen die in Nederland op wilgen gespecialiseerd zijn. Om het nog wat spannender te maken, gaan we ook die bladluizen nog eventjes parkeren tot verderop in dit artikel. Want als we over bladluizen beginnen, moeten we het eerst hebben over een ander aspect: dat wilgen ook zelf soortenrijk zijn. Dat wil zeggen: we hebben heel veel verschillende wilgen in Nederland – en veel insecten, waaronder de wilgenluizen, hebben relaties met specifieke wilgensoorten.
11 soorten inheemse wilgen en nog veel meer hybrides
De bekendste wilg is waarschijnlijk de schietwilg (Salix alba), die met de puntige bladeren die aan de onderzijde lichtzilver lijken wel wat aan een olijfboom doet denken. De schietwilg staat vaak als knotwilg langs poldersloten en landwegen. Die knotvorm heeft extra waarde, zeker als het gaat om oude bomen. Daarin ontstaan holten, waarin een steenuil kan broeden. En in een half vermolmde kroon, kunnen tal van mossen en andere planten leven. Als je de schietwilg niet knot, wordt het een hoge boom – zoals ze lokaal te bewonderen zijn in wilgenvloedbossen langs de rivieren. Ook mooi.
Ook de boswilg is een echte boomvormer, die zich eveneens uitstekend laat knotten. Het blad is veel groener en ovaler. Bijzonder aan de boswilg is dat deze goed tegen droge (zand)grond kan, waar de meeste andere wilgensoorten vochtminnend zijn. Deze soort is van extra belang voor bijen, vlinders én zandige bosbodems. Komen we zo op terug.
Dan is er de relatief kleine geoorde wilg – een lage struikvormer, met kleine, vrij ronde blaadjes, die goed tegen zure zand- of veengrond kan – en de veelvoorkomende grauwe wilg, die qua uiterlijk en standplek tussen de boswilg en de geoorde wilg in zit. Een zeldzame rossige variant op de grauwe wilg, de rossige wilg, wordt als aparte soort aangeduid.
Dan hebben we de kruipwilg, die kruipt (op zandgrond), de bittere wilg, die van kalkrijke rivieroevers houdt, een struik blijft en extra veel van het bittere salicine produceert (de grondstof voor Aspirine!), de amandelwilg, met sierlijk gevormde groene blaadjes aan twijgen die bij beschadiging een amandelgeur verspreiden en de eveneens struikachtige laurierwilg, waarvan de grote glanzende bladeren aan laurierbladeren doen denken.
We zouden bijna de katwilg nog vergeten! Die heeft niet alleen de smalste bladeren, maar ook de langste katjes (vandaar de naam) en de meest buigzame twijgen, waardoor deze wilg vroeger ook wel de bindwilg werd genoemd. Katwilg is dan ook een van de wilgensoorten die je van oudsher veel ziet in grienden, multifunctionele velden met laag afgeknotte wilgen die kenmerkend zijn voor vochtige, vaak wat venige komgronden in het rivierengebied (en van de Biesbosch!). Naast de katwilg zijn ook de amandelwilg en de schietwilg kenmerkend voor de griendcultuur.
Zo is ook de vele eeuwen geleden vanuit Zuidoost-Europa ingeburgerde kraakwilg een zelfstandige wilgensoort, die zo heet omdat de twijgen heel makkelijk afbreken. Dat lijkt een overlevingstactiek: als twijgen ergens langs de waterrand belanden, kunnen ze nieuwe wortels schieten – en ontstaat een kloon van de moederboom. Die eigenschap heeft ook de basterdkraakwilg, een kruising tussen de schietwilg en de kraakwilg.

Wilgen zijn tweehuizig: mannelijk óf vrouwelijk
Toch is voor wilgen ook geslachtelijke voortplanting heel belangrijk (en daarom trekken ze zo graag bijen aan!). Wilgen zijn tweehuizig dan wel eenslachtig. Dat betekent dat wilgen in tegenstelling tot de meeste andere loofbomen (die eenhuizig/tweeslachtig zijn) mannelijk of vrouwelijk zijn. De mannelijke wilgen hebben uitsluitend mannelijke katjes, die naast nectar ook stuifmeel bevatten. De vrouwelijke wilgen vormen uitsluitend vrouwelijke katjes, die wel nectar bieden, maar geen stuifmeel – en resulteren in zaden.
De zaden van wilgen verspreiden op de wind – en met name de boswilg is behoorlijk kiemkrachtig. Dat is waarschijnlijk om te compenseren dat een boswilg zich heel lastig laat stekken. Veel wilgen schieten makkelijk wortel als je een twijg in water zet, maar een boswilg denkt daar anders over. Om een boswilg te kunnen planten is dus ook het oogsten van boswilgzaailingen heel belangrijk.
Vind je het veel wilgensoorten? Bedenk dan dat er in het Nederlandse landschap nog minstens zo veel kruisingen voorkomen, zoals de hierboven al genoemde basterdkraakwilg, die ontstaat bij bevruchting tussen een schietwilg en een kraakwilg (en die de eigenschap van makkelijk afbrekende twijgen behoudt). Zo is er ook een heel spectrum aan kruisingen tussen de boswilg, grauwe wilg en geoorde wilg en kunnen ook de amandelwilg, bittere wilg en laurierwilg allerlei hybrides produceren.

Voor de meest spectaculaire wilgenluis moet je een katwilg planten
Dat brengt ons ook weer terug op de bladluizen. Sommige soorten gaan graag van wilg naar wilg, andere hebben sterke voorkeuren. Zo zit de grote wilgentakluis het liefst op de schietwilg, de bonte wilgentakluis onder andere graag op amandelwilg en bittere wilg en heeft de kleine wilgenluis (Aphis forinosa) – een sterke voorkeur voor boswilg. En ja, zelfs de kruipwilg heeft een eigen luis: de kruipwilgluis!
Maar voor de meest spectaculaire wilgenbladluis moet je eigenlijk een katwilg planten. Dan heb je kans op de indrukwekkende dromedarisluis – bij ons weten de grootste bladluizensoort in Nederland. Uit eigen ervaring valt op dat deze bladluis af en toe op andere wilgensoorten te vinden is, maar een duidelijke voorkeur heeft voor katwilg.
Als je lang kijkt naar de kolonies van zulke luizen in je eigen tuin doe je de wonderlijkste ontdekkingen. Zo kwamen wij erachter dat dromedarisluizen synchroon poepen! Tegelijk de kont naar achteren en dan zo’n duppeltje suikerrijk honingdauw laten vallen. Die honingdauw wordt midden in de zomer – als de wilg al lang is uitgebloeid – naast nesten vol mieren, ook door tal van vliegende insecten gebruikt als een alternatieve nectarbron. Het gegons dat dit oplevert is al bijna net zo indrukwekkend als het gonzen van de voorjaarsbestuivers op de katjes, eerder in het jaar. Waarom is dit belangrijk? Omdat biodiversiteitsherstel niet alleen om behoud en herstel van soorten gaat, maar ook om aantallen. We hebben weer bulk nodig – ook aan vliegende insecten, die met ruim driekwart achteruit zijn gegaan – om uiteindelijk ook de top van de voedselketen te laten herstellen, zoals insectenetende vogels.
En ja, bladluizen vormen met hun bulk zelf ook voedsel. Kleine soorten worden gegeten of geparasiteerd door bladluizendoders en andere solitaire wespjes en natuurlijk ook door lieveheersbeestjes. Alhoewel het ons in eigen tuin opvalt dat een dromedarisluis niet onder de indruk is van een lieveheersbeestje, en deze gewoon met een achterpoot van zich af probeert te trappen. Voor de lokale pimpelmees is het wel een eenvoudig hapje. Zo vormt rond zo’n wilg ’s zomers al gauw een heel ecosysteem.
Verstopt in het blad of ónder de schors: vlinders en galwespen
Daarom is het natuurlijk ook slim dat een deel van de wilgeninsecten zich niet laten zien. Dat doen ze door een groot deel van hun leven door te brengen in één enkel wilgenblad. Dat doen bijvoorbeeld de rupsen van allerlei soorten kleinere op wilgen gespecialiseerde nachtvlinders, maar ook allerlei kleine galwespjes en galmugjes, die de wilg kleine blaasjes laten maken in het blad, waar de larve veilig in kan opgroeien. Sommige verkleuren mooi naar rood, en dan weet je dat je te maken hebt met bijvoorbeeld de amandelwilgblaasbladwesp, een specialist op amandelwilg, die we afgelopen jaar voor het eerst aantroffen in eigen tuin. Zo ontdekten we eerder ook piepkleine galmugjes, die uitsluitend in de bladrand van katwilgen zitten – enzovoort, enzovoort, enzovoort. (Voor wie daarover bezorgd is: nee, de diverse galmugjes en galwespjes, geen van deze soorten steekt. We zeggen het er voor de zekerheid maar even bij, omdat veel mensen bij ‘mug’ of ‘wesp’ maar aan één ding denken.)

Omdat we de kleine nachtvlindersoorten noemden, waarvan er tientallen afhankelijk zijn van wilgen, moeten we ook grotere soorten niet onbenoemd laten. Zo hebben we in Nederland ook nog elf grote nachtvlindersoorten met wilgen als waardplant, zoals de wilgenhoutrups. De rups van deze nachtvlinder kan maar liefst tien centimeter groot worden en is daarmee de grootste rups van Nederland. Dan pas je niet meer veilig in of onder een blad – dus de wilgenhoutrups, zoals de naam al verraadt, leeft in een andere plek van de boom: in het hout, onder de schors, soms wel vier jaar lang, en soms in het gezelschap van een andere specialist: de wilgenschorsrups.
Dan zijn er nog dagvlinders die als rups van wilgen afhankelijk zijn, waaronder enkele van de allermooiste die in onze regio voorkomen, zoals de prachtige kleine en grote weerschijnvlinder en de eveneens schitterende rouwmantel (sinds de jaren 60 uitgestorven, maar elk jaar als dwaalgast te zien vanuit Scandinavië en Polen). Voor deze vlinders is de boswilg de favoriete waardplant, alhoewel de kleine weerschijnvlinder ook op schietwilg gezien is en de rouwmantel ook op grauwe wilg en geoorde wilg.
Katwilg en boswilg zijn onmisbaar voor hommelkoninginnen
Dan terug naar dat vroege voorjaar. De dagen dat de zon flink schijnt in maart of heel soms al in februari – en je opeens verrast wordt door een feestelijke ervaring: de eerste hommel van het jaar! Dat zijn forse exemplaren, koninginnen, die op zoek zijn naar twee dingen: een geschikt holletje om een nest te bouwen en eitjes te leggen voor een eerste generatie werksters – én geschikt stuifmeel en nectar om die broedcellen van voedsel te voorzien.
Het grootste geschenk voor zo’n hommel is een flinke mannelijke wilg, die barst van de gele katjes: nectar én stuifmeel ineen! Dan komen we er weer op terug dat we in Nederland tientallen soorten wilgen en hun hybrides hebben, met ook een verschillend bloeitijdstip. De vroegst bloeiende wilgen zijn de boswilg en de katwilg. Bij ons in de tuin hebben we toevallig ook nog een grote kruising tussen die twee, en we kunnen uit ervaring vertellen dat ook die bos-katwilg als allereerste bloeit, en er dan soms wel vijf of zes hommelkoninginnen tegelijk op zitten.

De wondere wereld van de wilgenzandbijen
Daarna begint het grote speurwerk. Zien we al een eerste leuke zweefvlieg, zoals de bosbandzweefvlieg of het variabel elfje? Of zien we zelfs al een eerste zandbij?? Bij het speuren langs de katjes van de boswilg en katwilg is de onmiskenbare grijze zandbij meestal de eerste, gevolgd door de vroege zandbij.
Als het iets warmer wordt, komt daar de meest talrijke bij: het roodgatje. Dit is een wat kleiner zandbijtje, dat nog wekenlang actief is, als ook alle andere wilgensoorten zich mengen in het voorjaarsbal. Die wilgen zijn voor de voorjaarsbijen misschien nog wel belangrijker, omdat de meeste van deze wilgenspecialisten actief zijn als de katwilg en boswilg alweer zijn uitgebloeid. Wij hebben dus ook veel plezier met bijenspotten op bijvoorbeeld de schietwilg, grauwe wilg, amandelwilg en met name de geoorde wilg. Die laatste heeft een praktische reden: de geoorde wilg blijft altijd lekker laag. Dat betekent dat je als bijenliefhebber er middenin kunt gaan staan, zodat je de vrolijk bestuivende bijen van heel dichtbij kunt bekijken. Het zijn niet uitsluitend zandbijen: hommelwerksters gaan zich al gauw mengen, zoals boomhommels, net als een legertje van de indrukwekkende grote zijdebijen.
Maar de grootste rijkdom rond bloeiende wilgen wordt geleverd door ‘de Andrena‘s’ – de zandbijen: roodgatjes en roodbuikjes, wimperflankzandbijen en witbaardzandbijen, viltvlekzandbijen en vosjes, zwart-rosse en zwartbronzen zandbijen – de lijst is nog veel langer, en bevat ook echte zeldzaamheden, die nog heel lokaal voorkomen rond oude grienden of intacte uiterwaarden, zoals de zeldzame lichte en nog zeldzamere donkere wilgenzandbij, of de groepjesgroefbij – die zoals de naam al verraad geen zandbij is (maar een groefbij) en ook van wilgenkatjes houdt.

Sommige van deze voorjaarsbijen blijven actief tot in mei of zelfs juni en kunnen dan overschakelen op andere drachtplanten, zoals meidoorn en sporkehout. Maar waar nog ergens een late wilg in bloei staat, zullen ze daar al gauw een voorkeur voor hebben. En daarom is het goed om niet alleen aandacht te hebben voor de wilgen die de bloeiboog openen (boswilg en katwilg), maar ook voor de laatst bloeiende wilg: de zeldzame laurierwilg – die in mei nog katjes heeft.
Die laurierwilg is ook gelijk een voorbeeld van een streeksoort. De wilg komt heel lokaal nog voor in zandige delen in het westen van het land, maar heeft z’n zwaartepunt in en rond de provincie Drenthe, inclusief het Reestdal, de Kop van Overijssel, de Friese Wouden en de Veenkoloniën. Omdat deze waardevolle soort daar achteruitgaan, pleiten wij ervoor in die gebieden gericht autochtone laurierwilgen bij te planten (twee jaar geleden hebben wij de laurierwilg dan ook uitgedeeld in het Reestdal en in Drenthe).
Ook de kalkminnende bittere wilg kan gezien worden als een streeksoort, kenmerkend voor de oevers van de Maas, de Rijn, de Overijsselse Vecht en de kalkrijke Hollandse duinen. De rossige wilg is overal een zeldzaamheid, maar je maakt de beste kans rond de IJsselmonding, in de duinen en bij de Biesbosch. En ook hybrides kunnen streekgebonden zijn: zo komt de basterdkraakwilg vooral voor in Twente, Limburg en het westen van Brabant.

Méér boswilgen in het bos
Toch willen we graag afsluiten met een kleine extra shout-out voor één specifieke wilgensoort: de boswilg. Niet omdat de grote weerschijnvlinder prachtig is en ervan afhankelijk is. Niet vanwege de hommelkoninginnen, die er elk jaar op kunnen neerstrijken bij de eerste lentedagen van het jaar – maar vanwege nog een heel andere reden: bosecologie.
De boswilg is de enige wilg die ook op droge zandgrond gedijt. En daar speelt de boom een sleutelrol voor potentieel bodemherstel. De zandgronden lijden sterk onder verzuring – en dat is met name in droge bossen met monoculturen van (Amerikaanse) eiken, beuken en naaldbomen een groot probleem, waardoor deze bossen op diverse niveaus veel minder soortenrijk zijn dan ze behoren te zijn. Voor herstel van verzuurde bosecologie kunnen grote ingrepen noodzakelijk zijn, zoals – naast het terugdringen van de stikstofneerslag – grondwaterherstel en het strooien van kalk of steenmeel. Maar deze bossen vragen ook actieve herintroductie van schaarse of verdwenen loofbossoorten die met makkelijk verteerbaar strooisel zonder een overmaat aan organische zuren meehelpen in elk geval de toplaag weer te doen herstellen.
De uiteindelijke kampioen in dit werk is de winterlinde, misschien wel de meest gemiste boomsoort op de Nederlandse zandgrondbossen. Lindes worden heel oud, maar groeien dan ook betrekkelijk langzaam. Om het proces van bodemherstel te versnellen zijn dan ook pioniers nodig met vergelijkbare eigenschappen. Een van de meest geschikte soorten voor dat werk, is de snelgroeiende boswilg – een soort die al snel veel biomassa produceert, en dus in de herfst een grote hoeveelheid bodemherstellend strooisel. (Dit is de reden dat we voor ons speciale project voor bostuinen op de Veluwe, daar naast onder andere de winterlinde inderdaad ook specifiek de boswilg planten!)
En wie vanuit een drijfveer van bosherstel bewust boswilgen plant in bestaande zandgrondbossen, zal ook de diverse andere biodiversiteitsvoordelen oogsten, van grijze zandbijen, Aphis forinosa en hommelkoninginnen, tot wellicht een van de mooiste vlinders van ons land: de grote weerschijnvinder.
Dus lang leve wilgen! (En de boswilg in het bijzonder.)

