Brabantse zand- en leemstreek
Tijdens de laatste ijstijd was Nederland nergens bedekt onder een ijskap. In plaats daarvan was Nederland een poolwoestijn. Het Noordzeebekken lag droog, en was een grote zandbak. Van daaruit namen Noordwestenwinden grote zandstormen mee. Dat zand kennen we in Nederland als dekzand. Tijdens de laatste ijstijd werd het over heel Nederland afgezet – officieel met één uitzondering: Limburg. Ook daar woeien diezelfde koude poolwinden. Maar zo ver van de Noordzee was het zand al uit de lucht gevallen, en nam de wind alleen nog het fijnste stof mee: löss.
In werkelijkheid is de natuur nooit zo zwart-wit. Ook noordelijker, op plekken die windluwer waren, zoals de zuidoosthoek van de Veluwe en de Zeven Heuvelen in het het Rijk van Nijmegen werd löss afgezet. En er bestaat een soort overgangsvorm tussen dekzand en löss, dat als leem wordt aangeduid (löss is zelf een extra fijne vorm van leem). En het grootste deel van de Brabantse natuur, wordt gekenmerkt door een afwisseling van die twee: dekzand, en leem.
Dat Brabantse dekzand begint in het westen bij Bergen op Zoom, met de grenspark de Kalmthoutse heide en ter hoogte van Bergen op Zoom de Brabantse wal – een plotse overgang van zeeklei naar hogere zandafzettingen. Dat Brabantse dekzand kan ook nu nog stuiven, zoals in de Loonse en Drunense duinen – na het Kootwijkerzand op de Veluwe de grootste actieve zandverstuiving van West-Europa. De Loonse en Drunense duinen zijn ontstaan door overbegrazing van een heidegebied in de late middeleeuwen.
Die droge zandgronden worden afgewisseld met natte beekdalen, bijvoorbeeld van de Mark bij Breda of de Dommel en Aa tussen Eindhoven en Den Bosch – die vaak leemrijker zijn. Soms zijn dat scherpe overgangen, zoals bij de Loonse en Drunense duinen. Die verstuiving creëerde een grote zandrug die dwars kwam te liggen op de natuurlijke afwatering van Tilburg richting de Maas. Zo gaat de droge zandnatuur hand in hand met natte beekdalnatuur er pal naast – in dit geval rond het watertje de Zandleij. Omdat de Zandleij deels werd geblokkeerd door het opgestoven zand, ontstond een vochtige en biodiverse zone – waar het goedbewaarde cultuurlandschap en natuurgebied De Brand een mooi voorbeeld van is.
Ook verder naar het oosten wordt Brabant gekenmerkt door een afwisseling van dekzandruggen met daartussen leemrijke beekdalnatuur. Die komt het best tot z’n recht in de leemrijke Roerdalslenk, waar zich het Groene Woud bevindt, een natuurrijk, relatief vochtig cultuurlandschap tussen Den Bosch en Eindhoven. De leembodem en combinatie van gemengde loofbossen en aangeplante populierenbossen, zorgt er voor niet te sterk verzuurde en daardoor nog relatief soortenrijke bosbodems, waar in het voorjaar nog genoten kan worden van bijvoorbeeld bosanemoon en slanke sleutelbloem. Die afwisseling van zand en leem, droog en nat, zuur en kalkrijker, kenmerkt een groot deel van Brabant ten westen van de Peel – en vormt de inspiratie voor onze streektuinen in dit gebied.
Ik geniet enorm van de cadeautjes van de natuur. Voor andermans maatstaven is de tuin misschien iets te wild. Maar ik hou van ruigte en de dieren die daar in komen wonen. Dit jaar zien we muizen, padden, verschillende soorten kevers en bijen, en heel veel slakken.
Marjolein, Brabantse zand- en leemstreek
Waar precies?
De Brabantse zand- en leemstreek omvat het grootste deel van de provincie Noord-Brabant, met uitzondering van de zeekleigronden in het uiterste westen (die horen bij de streek Zuidwestelijke zeekleipolders), de zone rond de Maas (de Brabantse Maasstreek) en de grove rivierzanden en hoogveenrestanten in het oosten (streek de Peel).
Icoonsoorten van Brabantse zand- en leemstreek
Een ander vochtig Brabants natuurgebied, de Moerputten, ten zuidwesten van Den Bosch, is het enige (overgebleven) leefgebied van een iconisch dagvlindertje: het pimpernelblauwtje. De Moerputten bestaat uit twee ontginningen van een oud laagveenmoeras. In de overgangszone naar de zandgronden ten zuiden komt ijzer- en kalkrijk kwelwater omhoog, en bestaan nog een aantal hectare aan soortenrijk blauwgrasland, met soorten als grote ratelaar, geel walstro, blauwe knoop én de grote pimpernel – waardplant van het sterk bedreigde blauwtje (dat verder afhankelijk is van de aanwezigheid van specifieke mierensoorten, zoals de moerassteekmier).
Andere icoonvlinders van de Brabantse zand- en leemstreek zijn onder andere de dunvlekspanner, de esdoorntandvlinder en het oranje zandoogje. Die laatste is een volgens de Vlinderstichting “kwetsbare” dagvlinder, die in Nederland twee populaties heeft: één in Drenthe en een grote in Noord-Brabant en aangrenzend Zeeland en Noord-Limburg. De vlinder leeft het liefst in kruidenrijke ruige vegetaties naast struiken. De rupsen eten een aantal grassoorten, zoals beemdgras.
De esdoorndwergspanner is een zeldzame vlinder die in Nederland vooral voorkomt in het centrale deel van Noord-Brabant. Als je de vlinder een handje wilt helpen, moet je Spaanse aak (veldesdoorn) planten – want dat is de waardplant.
De Brabantse zand- en leemstreek heeft natuurlijk ook iconische bijensoorten. De meest bijzondere is misschien wel de kleine sachembij – een soort die houdt van zonnige, zandige plekken met veel bloemen. De bij, duidelijk kleiner dan de in het voorjaar algemene gewone sachembij, nestelt in grote groepen in rivierduinen en zandvlakten, maar verdween in de jaren 70 vrij snel uit Nederland.
Sinds enkele jaren is de kleine sachembij weer terug langs de Limburgse Maas, en bovendien vanuit het grensgebied onder Eindhoven bezig met een terugkeer Brabant in, zowel in de richting van Eindhoven als de Peel. De soort is niet heel kritisch ten aanzien van stuifmeel, dat het verzamelt van diverse wilde bloemen.
Ook de sporkehoutbij is een zeldzame soort, met een aantal populaties verspreid over Noord-Brabant. Deze bij kun je weer helpen door, je raadt het al, sporkehout te planten – wat sowieso een geweldige insectenstruik is.
Een nog grotere specialist van de streek is de boswespbij. Deze parasiteert weer op nesten van de sporkehoutbij. In de twintigste eeuw kwam de boswespbij ook op noordelijke zandgronden voor, maar uit de afgelopen tien jaar zijn alleen nog waarnemingen bekend uit twee populaties in de Roerdalslenk en een in natuurgebied De Brand, boven Tilburg.
Andere bijzondere en kenmerkende bijensoorten voor de streek zijn de donkere zomerzandbij (liefhebber van composieten en zandblauwtje), rode maskerbij (ook een liefhebber van zandblauwtje, die in tegenstelling tot de meeste andere maskerbijen in de grond nestelt, en niet in stengels), verder de gele tubebij, zadelgroefbij, zwartbronzen houtmetselbij, bruine slobkousbij, zilveren zandbij, breedrandgroefbij, grote roetbij, matglanswespbij, kleine roetbij en bruinsprietwespbij.
En dan verdient ook de behaarde bijenwolf nog vermelding. Dit is geen bijenjagende wesp, zoals de gewone bijenwolf, maar een kever. De behaarde bijenwolf heet daarom ook wel de bijenwolfkever. Deze bejaagt bovendien geen bijen, maar wespen – door eieren te leggen in de nesten van graafwespen. De roodzwart gekleurde kever zelf zit vooral op bloemen en heeft dus ook een bloemrijk landschap nodig – en komt op een aantal plekken in Noord-Brabant voor.
Over dat bloemrijke landschap gesproken: naast de hierboven al genoemde bloeiers zijn er nog veel meer kenmerkende bloeiende kruiden voor de streek. Een van de meest iconische is de welriekende agrimonie, een kruid met aardbei-achtig blad en hoge pluimen met gele bloemen. De gewone agrimonie komt vooral voor in uiterwaarden van de grote rivieren, terwijl de zeldzamere welriekende agrimonie gebonden is aan lemige gronden – met de belangrijkste groeiplaatsen in het Brabantse Groene Woud (en andere lemige delen van de Roerdalslenk).
De leemrijkere delen van Noord-Brabant, waaronder het Groene Woud, bevatten ook de belangrijkste resterende groeiplaatsen van wilde bomen en struiken, met onder andere gewone vogelkers, Gelderse roos, wilde lijsterbes, sporkehout, tweestijlige meidoorn, hondsroos, zwarte bes, bosaalbes, gewone vlier, hazelaar én haagbeuk – en soort die je op de zuurdere delen van de dekzanden niet snel zult aantreffen.
In gebieden met vennen en poelen (of visvrije tuinvijvers) komen in de Brabantse zand- en leemstreek onder andere nog bijzondere amfibieën, zoals de boomkikker, kamsalamander en vinpootsalamander voor.
Flora
Fauna
Wat betekent dit voor jouw tuin?
Bij de aanleg van een Brabantse streektuin, is het belangrijk om eerst goed te kijken naar de samenstelling van de ondergrond. Is het een droge zandbodem, of een wat meer oker of oranje gekleurde leembodem, die wat makkelijker vocht vasthoudt? In het eerste geval kun je je laten inspireren door droge (heide)natuur, en bijvoorbeeld werken met ecologisch waardevolle struiken zoals sporkehout. Bij leemrijkere ondergrond kun je aansluiting zoeken op de beekdalnatuur, met wat meer kalkminnende soorten zoals welriekende agrimonie en tweestijlige meidoorn. Een keer wat kalk strooien kan dan ook geen kwaad.
Door de intensieve veehouderij is een groot deel van de Brabantse ondergrond sterk vervuild met stikstof. Met name bij de aanleg van een bloemenweide is het belangrijk om dit stikstofoverschot kwijt te raken door verschralend te maaien, en sowieso zelf geen extra stikstofbronnen (zoals tuinaarde of gazonmest) toe te voegen.
Bloemenweide maken?
Bestel Brabantse zand- en leemstreek-streektuinmengsel
De inheemse kwekerij Cruydt-Hoeck heeft samen met Streektuinen.nl voor elk van de 25 streken een apart mengsel ontwikkeld van bloeiende kruiden die goed passen in de bewuste streek, en tot hun recht kunnen komen in tuinen.
Verhalen uit Brabantse zand- en leemstreek
Wij willen heel graag meer verhalen gaan vertellen (in tekst en beeld) over icoonsoorten en andere unieke natuur per streek, over individuele streektuinen, en wellicht ook Streektuindagen organiseren waarbij jullie bij elkaar op bezoek kunnen gaan voor inspiratie. Meld dus vooral je tuin aan. Je kunt dan als je dat leuk vindt ook iets vertellen over jouw tuin!
Echt ‘schrale’ soorten zaaien? Zorg dan voor een zeer arm zaaibed – of overweeg een groendak!
Het bijzondere verhaal (met video) van de gele weidemier: de ondergrondse helper van bloemrijke graslanden
Komende winter een boom of struik planten? Hier zie je welke (ecologisch waardevolle) soorten thuishoren in jouw streek!
Ook genieten van slobkousbijen in je tuin? Dan heb je deze vochtminnende plant nodig
Voeg jouw tuin toe aan Brabantse zand- en leemstreek!
Door mee te doen voeg je een klein natuurgebiedje toe aan jouw straat, kun je vier seizoenen per jaar genieten van een levende tuin – en versterk je de unieke biodiversiteit van jouw streek, door een klein leefgebied te creëren voor kenmerkende planten en dieren.
Tuinen in deze streek
Lokale initiatieven
- Adopteer een straat
- Ken je een relevant initiatief in deze streek? Laat het ons weten!