Op dat kleine stukje bloeiden honderden bloemen: kattenstaart, valeriaan, moerasspirea, moerasrolklaver. Daarboven “explosieve hoeveelheden” graslandvlinders: dikkopjes, kleine vossen, zandoogjes – met tientallen tegelijk. Nestjes van dwergmuizen tussen de grashalmen. En ook rond de poel en sloten krioelde het van het leven: libellen, kikkers, padden en salamanders.
“In Nederland heb ik nooit meer een dergelijke hoeveelheid biomassa in zowel aantallen als soorten gezien”, vertelt Jan Gerrits. “Maar als ik daaraan terugdenk, krijg ik hetzelfde gevoel dat ik vandaag de dag krijg als ik met mijn tuin bezig ben.” Gerrits heeft samen met zijn vrouw hun tuin bij een rijtjeshuis in Molenhoek, op de grens tussen Gelderland en Limburg, omgetoverd tot een waar paradijsje voor natuurlijk leven.
Dat miniproject begon in 2018. Maar gevraagd naar wat hem beweegt, komt de hierboven beschreven jeugdherinnering naar voren – die plek, bruisend van het natuurlijk leven, bij zijn ouderlijk huis in Overijssel. Gerrits mocht er in de jaren 90, hij was toen een tiener, van de buren een poel en stukje vochtig grasland beheren. Te nat voor grote machines deed hij dat met de zeis – en bovendien gefaseerd (altijd een deel laten staan). “Voordeel van de zeis is dat je als maaier ook heel veel ziet én hoort.”
Die beelden en dat geluid blijven een onuitwisbare indruk van hoe rijk kleinschalige graslandnatuur kán zijn. Of de bewuste plek nu nog steeds zo mooi is, is helaas de vraag. De genoemde graslandvlinders zijn sinds 1990 meer dan gehalveerd, en het geheel van vliegende insecten is zelfs met driekwart achteruitgegaan.
Dat weten we sinds een Nijmeegse studie uit 2017 die bij velen insloeg als een bom – en die Gerrits, inmiddels een veertiger en een stuk verhuisd naar het zuiden – anders deed kijken naar zijn eigen achtertuin. “Ik wilde graag iets doen en bedacht me dat de enige plek met echte directe invloed mijn eigen tuin is. Daarop besloot ik het tegelterras te halveren.” Zo ontstond meer plek voor inheemse planten. De biodiversiteit sprong gelijk omhoog. Zoals kleine graafwespjes, die tussen de nieuwe bloemen en kruiden nestgelegenheid vonden in het kale zand.
Fast-forward naar 2026 wordt de tuin steeds rijker aan natuurlijk leven – en raakt deze ook steeds meer verbonden met bijzondere natuur in de omgeving. Molenhoek ligt op de rand van de stuwwal achter Nijmegen, en ook op korte afstand van de Maas. Beide ecologische streken zijn terug te zien aan de soorten in de tuin. Zo groeit er de tweestijlige meidoorn, een zeldzame bloesemstruik die nog voorkomt in oude bossen van het Rijk van Nijmegen, naast bijvoorbeeld wilde marjolein, borstelkrans en het rapunzelklokje, echte icoonsoorten voor de uiterwaarden van de Limburgse Maas een stukje verderop.
Gerrits besloot de tuin daarom vorig jaar ook aan te melden bij Streektuinen. Met Streektuinen moedigen we Nederlanders aan om ook te doen wat Gerrits doet: in je tuin plek geven aan lokale natuur. Dat is niet alleen leuk vanwege de identiteit die het aan tuinen geeft, maar óók effectief voor biodiversiteitsherstel. Neem de 360 soorten wilde bijen in Nederland: in elke streek komen weer andere soorten voor, met andere voorkeuren. Dat geldt ook voor de duizenden soorten nachtvlinders, enzovoort.
Zeer exclusief bijenbezoek
Het gebruik van lokale waardplanten trekt veel leven aan. Overdag fladderen icarusblauwtjes rond de rolklaver, ’s avonds silene-uilen rond de avondkoekoeksbloem en resedamaskerbijen – nog een streeksoort – zoemen er rond de wilde reseda. Rupsen van citroenvlinders knabbelen van het blad van de wegendoorn die drie jaar geleden in de voortuin werd geplant, en op het knopig helmkruid zitten bijvoorbeeld de rupsen van de helmkruidvlinder, een vrij zeldzame nachtvlinder die nog relatief veel voorkomt in het gebied rond Nijmegen – en zo ook kan profiteren van deze streektuin.

Nog spectaculairder is het leven rond een andere streekplant: slangenkruid. Deze zomerbloeier hoort onder andere thuis op grindbanken en zandige oevers langs de Limburgse Maas – en kreeg (dus) ook een plek in de tuin in Molenhoek. Nou wordt slangenkruid altijd goed bezocht door allerlei soorten bijen. Maar toen Gerrits dit jaar goed keek, ontdekte hij nog een streeksoort rond de bloemen: de (zeer) zeldzame slangenkruidbij. Deze vrij grote bijensoort is volledig afhankelijk van slangenkruid en komt onder andere heel lokaal voor langs de Maas ten zuiden van Nijmegen. En ja, van daaruit moet deze bedreigde bijensoort dus ook de tuin in Molenhoek gevonden hebben!
Het laat opnieuw het grote belang van het gebruik van streekplanten zien. Daar kan je gelukkig op verschillende manieren aan komen. Jan Gerrits koopt een deel van de planten bij een gespecialiseerde inheemse kwekerij bij hem om de hoek: Stichting NL Bloeit – ook bekend van het boek en de website Planten van hier. De rest van de zelf toegevoegde planten en ook de gebruikte zaden komen van kwekerij Cruydt-Hoeck, die ook streektuinmengsels heeft ontwikkeld voor bijvoorbeeld het Rijk van Nijmegen en de Limburgse Maasstreek.
Maar als je je tuin wilt omtoveren tot een streektuin, is het geen noodzaak om planten en zaden te kopen. Een andere belangrijke manier is door in je tuin ook ruimte te geven aan inheemse en streekeigen aanwaaisoorten. Dan kun je denken aan paardenbloemen en paardenbloem-look-alikes in je grasveld. Zulke ‘gele composieten’ zijn vaak streekgebonden en hebben hoge waarde voor insecten.
Ook in de streektuin in Molenhoek groeien ‘aanwaaiers’, zoals Sint-Janskruid, een algemene soort van bloemrijke bermen, en bijvoorbeeld vingerhoedskruid, een voorjaarsbloeier die kan zijn aangewaaid uit de bossen van de achterliggende stuwwal – en waar vooral hommels blij van worden. En dit jaar zag Gerrits bijvoorbeeld al een jacobsvlinder fladderen rond het aangewaaide Jacobskruidkruid.
Het ‘aangewaaide’ heggenranklieveheersbeestje
Ook de heggenrank – een icoonsoort voor zowel het Rijk van Nijmegen als de Limburgse Maasstreek – is spontaan gekomen, vertelt Gerrits. Die heggenrank wordt inmiddels druk bezocht door een andere streekspecialiteit: de heggenrankbij – en ook het eveneens van deze klimplant afhankelijke heggenranklieveheersbeestje, een soort die alleen voorkomt in de zuidwestelijke duinen, Limburg en het rivierengebied rond Nijmegen.
“Alles bij elkaar blijft de tuin me fascineren”, zegt Gerrits. “Nog voortdurend registreer ik nieuwe soorten. We hadden dit jaar voor het eerst een blauwzwarte houtbij – indrukwekkend hoe groot die zijn.”
“Maar het is uiteindelijk de totaalbeleving en het gelukkige gevoel dat het me geeft. Meteen naast de deur, het geheel van waarnemingen, de seizoenen, de kleuren, de geuren en geluiden. Je ziet daarbij aan alles dat de streekeigen en inheemse soorten de grootste meerwaarde vertegenwoordigen voor de soortenrijkdom.”
“Ik hoop dat wat mensen verstaan onder rommelig en wild een andere betekenis krijgt. Dat steeds meer mensen kiezen voor inheemse planten en minder strak en aangeharkt. Ik vind het heel fijn om te weten dat er meer mensen zijn die echt iets willen veranderen in positieve zin.”
