Het ‘verdwenen bos’ van de Veluwe, en hoe lokale tuinen kunnen helpen om dat te herstellen

Heb je een tuin op of rond de Veluwe en heb je ruimte voor een paar mooie grote bomen? Denk dan bijvoorbeeld aan winterlindes of zoete kersen – of als je wat minder ruimte hebt aan sporkehout of lijsterbes. In dit lange artikel leggen we uit waarom.

Met Streektuinen richten we ons ook op mensen met ‘bostuinen’: tuinen of erven in de buurt van bestaande bossen – zoals de Veluwe. Ook daar kan je met je tuin een belangrijke bijdrage leveren aan versterking van de lokale natuur – niet alleen met bijvoorbeeld een streekeigen bloemenweide (met het streektuinmengsel van de Centrale Stuwwallen), maar ook door specifieke boomsoorten aan te planten die hoge ecologische waarde hebben, zowel in jouw tuin als in het omringende bos.

Streektuinen heeft dit jaar samen met Natuurhuisje en Hoopheggen een speciaal project op de Veluwe. Daarom zoomen we met deze special ook in op de Veluwe. Maar wat we hierin bespreken is ook van toepassing op tuinen op of rond andere stuwwallen, zoals de Utrechtse Heuvelrug, de Sallandse Heuvelrug en het Rijk van Nijmegen – en ook voor ‘bostuinen’ elders op de Nederlandse zandgronden. Wil je ook zelf aan de slag met bijvoorbeeld het planten van winterlindes? Lees dit artikel ter inspiratie – en bekijk vooral ook de instructievideo (‘zo plant je een winterlinde, en waarom’) helemaal onderaan!

Uitgestrekte heidevelden, stuifzanden, het grootste bosgebied van Nederland én een leefgebied voor talloze bijzondere planten en dieren, reikend van het groot vliegend hert tot het edelhert. We hebben het over de Veluwe, Nederlands grootste natuurgebied op land, een nationale parel met zeer hoge natuurwaarde.

Toch staan de natuurwaarden van de Veluwe ook onder druk en verkeren veel van de bossen in een slechte staat, met een veel lagere biodiversiteit ‘dan ze zouden kunnen hebben’ – en ook dan ze in het verleden gehad hebben. Gelukkig zijn er oplossingen, waar ook eigenaars van streektuinen op en rond de Veluwe heel concreet aan kunnen meehelpen.

Om dat goed te begrijpen, moeten we eerst een uitstapje maken naar de voorbije tienduizenden jaren, waarin het gebied altijd in beweging is geweest. Zeer bepalend was de voorlaatste ijstijd, het Saalien, die duurde van 238.000 tot 126.000 jaar geleden. De noordelijke helft van Nederland was bedekt door een reusachtige Scandinavische ijskap die ter hoogte van de Veluwe reusachtige stuwwallen opwierp, hoofdzakelijk bestaande uit hoge grindbanken, met her en der zwerfkeien afkomstig uit Noorwegen, Zweden en Finland.

Toen de ijskap smolt, bleef een landschap achter met veel sterker reliëf dan we nu kennen: hoge heuvels, afgewisseld met diepe glaciale dalen. Dat veranderde met de laatste ijstijd, het Weichselien (116.000 tot 11.700 jaar geleden) toen Nederland net niet onder de ijskap lag, maar wel in de greep was van koude poolwinden die vanuit een onbegroeide, drooggevallen Noordzeebodem een dikke laag ‘dekzand’ afzetten tegen de heuvels en in de dalen van het eerder gevormde stuwwallencomplex. Dekzand, met hier en daar ook een beetje leem – dat later een geschikte voedingsbodem zou blijken voor soortenrijke loofbossen.

Toen ook die ijstijd voorbij was, begon ons huidige Holoceen, en keerde stapje voor stapje na een lange overwintering in Zuid-Europa alle levensvormen van een gematigd klimaat terug in onze weer opwarmende contreien – waaronder bomen, begrazers én de mens. Die drie hebben in een boeiende wisselwerking het landschap van de Veluwe verder bekleed.

Toch hadden de bomen eerst een lange tijd betrekkelijk vrij spel. Dat waren de pioniers, met lichte zaden die zich over lange afstanden lieten vervoeren door de wind. Zo moeten zowel op natte als droge gronden al snel bossen ontsprongen zijn, bestaande uit zwarte els, de ruwe en de zachte berk, de verschillende soorten inheemse wilgen, waaronder de boswilg, en populieren. Ook de hazelaar was negenduizend jaar geleden al teruggekeerd. In de loop van duizenden jaren erna volgden de winterlinde, de zomerlinde, de wintereik, de zomereik, de es, de ruwe iep, de gladde iep, de fladderiep, de beuk en belangrijke ondergroeisoorten als de wilde lijsterbes en sporkehout. De bosbodems in die tijd waren relatief kalkrijk en het loofbos had een zeer hoge soortenrijkdom. Als een van de laatste beeldbepalende inheemse boomsoorten keerde de haagbeuk terug naar Nederland.

haagbeuk, een rijk strooisel-soort die op de flanken van de Veluwe thuishoort.
De haagbeuk (geen familie van de beuk!) heeft een intrigerende stamvorm en produceert makkelijk verteerbare bladeren die bijdragen aan de ontwikkeling van een gezonde bosbodem.

Deze bomen stonden niet overal in eenzelfde verhouding door elkaar gemengd. Sommige, zoals de zwarte populier en de veldesdoorn, gaven de voorkeur aan het stroomgebied van de grote rivieren, andere, zoals de hazelaar en de haagbeuk aan beekdalen, terwijl wintereik ook bovenop de hoge, droge en wat zuurdere delen van de stuwwallen onderdeel wist te worden van het oerbos. In de beekdalen en op de flanken van de stuwwallen moeten ook winterlindes en in minder mate zomerlindes tot zo’n vierduizend jaar geleden een belangrijk onderdeel geweest zijn van het zeer soortenrijke oerbos.

Dat oerbos was niet bestand tegen menselijke activiteit. Mensen houden ervan om te rommelen in het landschap. Bomen werden gekapt om plaats te maken voor akkers, en met name schapenhouderij en andere veeteelt zorgden ervoor dat grote delen van het ijstijdlandschap werden omgetoverd tot een ‘natuurrijk cultuurlandschap’.

Meer dan 4000 jaar menselijke bewoning

Een van de oudste menselijke sporen op de Veluwe is een bodemvondst van een prachtig gedecoreerde 4300 jaar oude klokbeker, een grafgift uit een al geëgaliseerde grafheuvel langs de westrand van de Veluwe. Waar de oudste grafheuvels op de Veluwe nog uit de steentijd dateren, stamt een deel ook uit de bronstijd. Uit die periode dateren ook de oudste sporen van akkerbouw: de zogeheten raatakkers, waarvan de randen lokaal nog heel subtiel zijn terug te vinden aan het oppervlak. Raatakkers bleven op de Veluwe tot in de Romeinse tijd in gebruik voor de verbouw van oude landbouwgewassen, zoals emmertarwe, spelt, rogge en boekweit.

Tegen deze tijd was het grootste deel van het oerbos op de Veluwe en ook elders op de Nederlandse zandgronden vermoedelijk al verdwenen. Dat betekent niet dat de bomen waar dit bos uit bestond waren uitgestorven. Integendeel: de directe nazaten van het oerbos wisten tot in de middeleeuwen overal in het cultuurlandschap te overleven in houtwallen, hakhoutbossen en wellicht ook in grotendeels wilde ‘oerbosrestantjes’ op natte grond.

Want wie over de Veluwe en oerbos begint, kan niet om het Beekbergerwoud heen, een door kalkrijke kwelstromen gevoed broekbos aan de oostflank van de stuwwal. Vanwege de natte ondergrond werd dit ‘laatste oerbos van Nederland’ (gekapt in 1871) gedomineerd door de zwarte els, aangevuld met essen, zomereiken en vermoedelijk zachte berk, ruwe berk, schietwilg, kraakwilg, gladde iep, fladderiep en veldesdoorn. De struiklaag van het Beekbergerwoud was nog rijker, met onder andere inheemse vogelkers, zwarte bes, wilde framboos, kardinaalsmuts, wegedoorn, sporkehout, hazelaar, Gelderse roos, rode kornoelje, geoorde wilg en naast de eenstijlige meidoorn ook de tweestijlige meidoorn. Uit de omgeving zijn verder nog oude groeiplekken bekend van onder andere de fladderiep, de haagbeuk en zelfs drie zeer zeldzame meidoornkruisingen: de bastaardmeidoorn, de grootvruchtige meidoorn en de schijnkoraalmeidoorn. We danken deze kennis voor een belangrijk deel aan het pionierswerk van bomenexpert Bert Maes en zijn collega’s.

Alhoewel het Beekbergerwoud formeel eigenlijk geen oerbos was, omdat in elk geval de randen eeuwenlang voor hakhoutwinning werden gebruikt, illustreert deze inventarisatie dat de bossen langs de mineraalrijkere flanken van de Veluwe van oorsprong vermoedelijk veel soortenrijker zijn geweest – met ook nog sporen van bijvoorbeeld de zwarte populier en de winterlinde, die in hun wilde vorm tegenwoordig volledig uit het gebied verdwenen zijn. Ook de zomerlinde zal er vanuit de rivierdalen rond de Veluwe vermoedelijk geschikte groeiplekken gevonden hebben – maar is er eveneens in wilde vorm volledig verdwenen. Gladde iepen (op vochtiger delen) en fladderiepen (op drogere gronden) komen momenteel wel nog zeer lokaal voor langs de randen van de Veluwe, op plekken waar de iets meer lichtminnende zoete kers vaker te zien is – op iets leemrijkere grond soms ook in gezelschap van de haagbeuk.

Stoven van de zwarte els
Een van de meest beeldbepalende boomsoorten langs de kwelrijke, natte flanken van de Veluwe was oorspronkelijk de zwarte els. Deze boom vormde de basis van het soortenrijke Beekbergerwoud. Zwarte elzen zijn ook vaak nog terug te vinden in historische boomsingels en houtwallen in bijvoorbeeld de aangrenzende delen van de Gelderse Vallei.

Toch hebben we het ook met iepen, kersen en haagbeuken over betrekkelijke zeldzaamheden en is zeker op de centrale delen van de Veluwe het aanbod van opgaande loofboomsoorten tegenwoordig zeer beperkt. Dat komt niet zozeer door de menselijke eigenschap om bomen te kappen (waar soorten én bossen van kunnen herstellen, mits het met mate gebeurt – zoals het Beekbergerwoud vóór 1871), maar van de menselijke eigenschap om bomen te planten. Als die aanplant de oorspronkelijke begroeiing had weerspiegeld, kon deze in stand blijven. Maar in plaats daarvan is langdurig sprake geweest van selectieve aanplant van een beperkt aantal boomsoorten – en zelfs hoofdzakelijk met gebiedsvreemd materiaal.

Voor zover de bossen op de Veluwe nog inheems zijn, bestaan ze nu uit een mengeling van zomereiken en op de centrale delen ook uit een voor Nederlandse begrippen opvallend groot aandeel wintereiken, waar in beide gevallen vaak de ruwe berk als pionier nog tussen gedoogd wordt. Op plekken waar de beuk zich gevestigd heeft, is van dat gedogen na verloop van tijd meestal geen sprake meer – en ontstaan soortenarme bossen die vrijwel geheel bestaan uit… beuk.

Met beuk, zomereik en wintereik hebben we in elk geval nog te maken met inheemse loofbomen (wat doorgaans betekent dat bijvoorbeeld een veel groter aandeel insecten en schimmels rond deze bomen kan leven). Dat geldt niet voor de uitgebreide plantages van de Amerikaanse eik, een uitheemse boomsoort die net als de Amerikaanse vogelkers ook verwildert in de bosgebieden op de Veluwe.

Meerstammige eik (stoof) die aanzienlijk ouder is dan die lijkt.
Deze meerstammige eik (een ‘stoof’) is veel ouder dan die lijkt op basis van de omtrek van de individuele stammen. Juist plekken waar menselijke hakhoutsporen terug te vinden zijn, vormen vaak de oudste bossen, waar nog autochtone bomen groeien. De Veluwe herbergt naast zomereiken nog een substantiële populatie wintereiken.

En naaldbomen dan? Die zijn momenteel dominant aanwezig op de Veluwe, maar dat zijn vrijwel uitsluitend aangeplante productiebossen én de zaailingen daarvan, veelal bestaande uit uitheemse soorten als de Douglasspar, de Japanse lariks, de Oostenrijkse zwarte den (massaal aangeplant op de Utrechtse heuvelrug), de daarop lijkende Corsicaanse den (onder andere lokaal bij Wageningen) en tot slot de fijnspar, die ook in Nederland niet inheems is.

Dat betekent niet dat naaldbomen niet thuishoren op de Veluwe, maar het gaat van oorsprong om andere soorten: de wilde taxus (die vermoedelijk van de Veluwe is verdwenen), de jeneverbes (die nog enkele grote populaties heeft op de Veluwe) en tot slot de grove den – de enige echte bosvormende inheemse naaldboom. Toch zijn inmiddels waarschijnlijk álle grove dennen op de Veluwe nazaten van geïmporteerde grove dennen uit andere landen. Er stond vermoedelijk nog één nazaat van de wilde (autochtone) populatie grove dennen bij Wolfheze, die in de volksmond ‘de duizendjarige den’ werd genoemd – en die in werkelijkheid ongeveer vierhonderd jaar oud was. Toen deze boom in 2006 omviel, stierf daarmee vermoedelijk het laatste exemplaar van de wilde populatie grove dennen van Nederland – wat voor de ecologie altijd een verlies aan unieke genenbronnen betekent.

Hoe we al het bovenstaande kunnen samenvatten? De Veluwe is net als vierduizend jaar geleden nog steeds zeer bosrijk en sinds de komst van de mens ook rijk aan open heidelandschappen. De soortenrijkdom van bomen en struiken is sterk achteruitgegaan door een combinatie van kap en selectieve aanplant, vaak van soortenarme plantages met buitenlandse herkomsten. De ecologische waarde van het gebied zal toenemen als verdwenen of zeldzaam geworden inheemse boomsoorten worden geherintroduceerd.

De andere helft: de bosbodems

Maar dat is maar de ene helft van het bosverhaal van de Veluwe. In de inleiding hadden we het er al over dat de Veluwe onder druk staat en veel van de bossen, waaronder bijvoorbeeld ook de inheemse eikenbossen, in slechte staat verkeren. Dit komt onder andere door ernstige verzuring van de bodems.

Die verzuring heeft meerdere oorzaken, die allemaal bij elkaar optellen. Ten eerste uitputting van de bodem door eeuwenlange overexploitatie door de mens, gevolgd door decennialange vervuiling met zwavel en stikstof. Ook verdroging door grondwateronttrekking door het graven van sprengen en drainage van aangrenzende landbouwgebieden en verdroging door klimaatverandering versterkt de verzuring van de bodem.

Rijke ondergroei met inheemse vogelkers en wilde lijsterbes.
Een gezond inheemse loofbos bestaat niet alleen uit hoge opgaande bomen, maar ook uit ecologisch waardevolle lagere bloesemsoorten, zoals sporkehout en de hier afgebeelde wilde lijsterbes en inheemse vogelkers. Ook deze soorten produceren licht verteerbaar strooisel en kunnen zo bijdragen aan herstel van verzuurde bosbodems.

Tot slot hangt de verzuring van de Veluwse bossen nog samen met het probleem dat we hierboven al bespraken: de geringe soortenrijkdom van opgaande boomsoorten. Door een soort ironisch toeval zijn bijna alle ‘overgebleven’ dominante boomsoorten, soorten met strooisel dat relatief veel organische zuren bevat. Dat geldt ten eerste voor alle naaldbomen, maar ook specifiek voor de wintereik, de zomereik, de Amerikaanse eik en de beuk.

Zeker als deze loofbomen met de wortels niet langer bij kalkhoudend grondwater kunnen komen, keren basische mineralen (via het ontkalkte strooisel) vrijwel niet meer terug in de toplaag van de bosbodems – en bereiken deze bodems vervolgens zeer lage pH-waarden, die op veel plekken onder pH 4 zitten. Vanaf een dergelijke zuurgraad lossen verbindingen met aluminium op, wat leidt tot vergiftiging voor veel planten en dieren.

Een aantal belangrijke symptomen van zulke sterk verzuurde bosbodems zijn ook met het blote oog te zien: zo wordt het bladerdek dat in de herfst op de bodem valt, nauwelijks afgebroken door bodemorganismen en kan dit pakket van herfstbladeren er zelfs in de zomer nog vrijwel onberoerd bij liggen. Naast een lagere activiteit van bodemleven, betekent dit ook dat bijvoorbeeld kenmerkende voorjaarsbloeiers voor loofbosbodems, zoals bosanemoon en slanke sleutelbloem, verstikt raken en steeds zeldzamer worden.

Op de hoge delen van de Veluwe is de verzuring zelfs zo ver gevorderd dat ook veel eiken zelf er inmiddels afsterven. En ook veel andere soortgroepen, waaronder huisjesslakken en broedvogels, zijn op de Veluwe door kalktekort sterk achteruitgegaan – en dat geldt ook voor de kwaliteit van de droge heide en heischrale graslanden, waar door verzuring allerlei kenmerkende bloeiende kruiden verdwijnen, waaronder het nog zeer zeldzaam aanwezige valkruid of wolverlei – een prachtige gele bloeier die beter bekend is onder de Latijnse naam Arnica.

Verzuring kortom is voor de gehele ecologie van de Veluwe een zeer groot probleem. Om de Veluwe op landschapsschaal te herstellen, is het dan ook essentieel dat de bronnen van de verzuring worden aangepakt. Dat is voor een belangrijk deel een politiek verhaal. Die politieke maatregelen kunnen niet ontbreken, omdat de andere oplossingen anders zullen vallen in de categorie dweilen met een open kraan.

Toch is ook dat ‘dweilen’ een al even onmisbare stap. Dat komt doordat de schade van verzuring uit het verleden niet zomaar uit zichzelf herstelt. De verzuring leidt namelijk niet alleen tot een (voor sommige soorten schadelijke) daling van de pH, maar ook tot het oplossen van veel chemische verbindingen. De zogeheten kationen, zoals calcium, magnesium en kalium zijn vervolgens met het regenwater weggespoeld, net als schaarse sporenelementen zoals borium en mangaan. Als gevolg zijn deze belangrijke mineralen op veel plekken niet meer bereikbaar voor planten en dieren.

Om dit te herstellen, is dus compenserend menselijk ingrijpen nodig. En daar kunnen terreinbeheerders en grondeigenaren op grote tot piepkleine schaal heel concreet aan bijdragen. Een bekend voorbeeld is het uitstrooien van kalk, steenmeel of zoals de gemeente Ede heeft gedaan boven delen van de Ginkelse Heide en het Edese Bos: schelpengruis.

Aan elke ingreep kleven nadelen, maar enkele jaren na deze proeven groeit het enthousiasme, nu duidelijk wordt dat bijvoorbeeld bloeiende kruiden zoals biggenkruid, muizenoor, mannetjesereprijs en vingerhoedskruid door deze bekalking zichtbaar terugkeren op de heide, en bijvoorbeeld bomen, slakken, mezen en de zeldzame cantharellen en andere bospaddenstoelen aantoonbaar herstellen in de bossen waar schelpengruis is rondgestrooid. Om het gebied zo min mogelijk te verstoren is dit vanuit de lucht gedaan, met een helikopter. Maar het gaat niet om kinderachtige hoeveelheden: gemiddeld zo’n 3 ton schelpengruis per hectare. Terug naar het perspectief van je eigen achtertuin: dat is 300 gram per vierkante meter.

De rol van bostuinen (en privaat bos)

Ja, hoe krijgen we dit artikel – waarin we het steeds hebben over een volledig ecosysteem – nog terug op het schaalniveau van een tuin? Doordat we ons ook moeten herinneren dat de Veluwe al meer dan vierduizend door mensen bewoond wordt – en het ecologische ideaalbeeld uit het verleden dan ook niet een wildernis, maar een ‘natuurrijk cultuurlandschap’ is, waarin mens en natuur in harmonie leven in een gebied met hoge en deels unieke biodiversiteit.

Dan helpt het ook om te beseffen dat de Veluwe niet uitsluitend in beheer is van natuurorganisaties, defensie en lokale overheden, maar ook voor een aanzienlijk deel in particulier eigendom is – zeker als we naast tuinen en erven ook de landgoederen meewegen. En dat kunnen we zien als een kans om ook met particuliere grondeigenaren bij te dragen aan herstel van de oorspronkelijke soortenrijkdom én aan herstel van de bodemverzuring.

Nou kan het inderdaad vrij letterlijk ‘een handje helpen’ als je ook in jouw Veluwetuin wat kalkkorrels, schelpengruis of lavameel strooit. Als ook daar sprake is van verzuring van de bodem, wat aannemelijk is, kunnen bomen, bodemleven en inheemse bloeiende kruiden ervan opleven.

Maar als eigenaar van een tuin, erf of landgoed kan je nog op een heel andere manier bijdragen aan herstel van soortenrijkdom én verzuring: door gericht specifieke soorten bomen en struiken aan te planten – soorten die zeldzaam zijn geworden of zelfs geheel van de Veluwe zijn verdwenen, en die in ecologisch opzicht eigenlijk het meest gemist worden. Dat kan je nog aanvullen met bepaalde ondergroeisoorten die nog wel algemener voorkomen, maar die ook specifiek hoge waarde hebben voor de ecologie.

Oude zomerlinde, nazaat van het gemengde oerbos dat 4000 jaar geleden grote delen van Nederland bedekte.
Op slechts een paar plekken in Nederland zijn de nazaten van het oorspronkelijke gemengde lindebos bewaard gebleven. Dat gaat dan om historische hakhoutbossen en houtwallen – of soms om solitaire bomen, zoals deze eeuwenoude zomerlinde. Het genetisch materiaal van deze laatste lindes is opgenomen in een speciaal kweekprogramma van Staatsbosbeheer. Hierdoor is het weer mogelijk zaailingen te planten die afstammen van het lokae oerbos. Dit heet ‘autochtoon plantgoed’. Op de Veluwe kan met name de autochtone winterlinde een belangrijke rol spelen in bosherstel, mits er voldoende kalk in de bodem aanwezig is.

Wij denken dan hoofdzakelijk aan soorten met een makkelijk verteerbaar blad, in jargon ‘rijk strooisel-soorten’ genoemd. In tegenstelling tot eiken, beuken en naaldbomen produceren deze soorten weinig organische zuren. Ze zijn daardoor goed in staat om de laatste nog aanwezige basevormende mineralen zoals calcium en magnesium terug te brengen in de toplaag van de bodem. De onbetwiste kampioenen op dit vlak zijn de winterlinde en de zomerlinde. Die hebben niet alleen een zeer licht verteerbaar blad (dat vaak in het voorjaar al volledig verdwenen is!), maar kunnen ook diep wortelen om bij eventueel nog aanwezig kalkrijk grondwater te komen.

Andere voor de Veluwe zeer geschikte soorten die kunnen bijdragen aan herstel van bosbodems zijn de boswilg, de fladderiep, de zoete kers, de haagbeuk (niet te verwarren met de gewone beuk die juist zuurvormend is – de haagbeuk is eigenlijk een berkensoort!) en allerlei soorten die vaak iets lager blijven, zoals de inheemse vogelkers, de hazelaar en soorten met zeer hoge waarde voor bestuivers en vogels, zoals sporkehout en wilde lijsterbes.

Tot slot produceren ook zwarte elzen, essen, zachte berken, ruwe berken en bijvoorbeeld ratelpopulieren, relatief licht verteerbaar blad – waardoor het goed is om binnen verzuurde bossen groeiplekken van deze soorten te beschermen.

Planten in tweetallen voor kruisbestuiving

Wij gaan het volgende plantseizoen een voorzet geven aan versterking van een aantal van deze soorten, met een speciale actie waarin ze worden bijgeplant in de tuinen van natuurhuisjes (te huren vakantiehuisjes) op de Veluwe. Het gaat daarbij steeds om een combinatie van de volgende soorten: winterlinde, fladderiep, zoete kers, haagbeuk, boswilg, sporkehout en lijsterbes – alles van lokaal genetisch materiaal (dus autochtoon plantgoed). We planten deze bomen bovendien minimaal in tweetallen per soort aan, zodat de bomen als ze eenmaal volwassen zijn, kunnen kruisbestuiven en vruchtbare zaden produceren. Zo kunnen deze ecologisch zeer waardevolle soorten zich op lange termijn vanuit de tuinen en erven ook weer verspreiden over het gebied waar ze van oorsprong thuishoren.

Streektuinen heeft afgelopen plantseizoen ervaring opgedaan met dergelijke versterking van ecologische bostuinen. Samen met Natuur en Milieu de Vechtstreek hebben we zo’n tweeduizend autochtone rijk strooisel-soorten uitgedeeld voor bostuinen in het Overijsselse Vechtdal, hoofdzakelijk die zo ontzettend waardevolle winterlindes.

Wil je meer lezen over deze onderwerpen? Bekijk dan ook onze long-reads over autochtone bomen en struiken (waarom het belangrijk is wilde bomen te laten terugkeren) en over het belang van rijk strooisel-soorten, voor gezonde (bos)bodems.

Wil je ook zelf winterlindes of andere rijk strooisel-soorten aanplanten? Hopelijk heb je ook iets aan onze onderstaande speciale instructievideo om je daarbij op weg te helpen!

Meld ook jouw tuin aan!

Door mee te doen voeg je een klein natuurgebiedje toe aan jouw straat, kun je vier seizoenen per jaar genieten van een levende tuin – en versterk je de unieke biodiversiteit van jouw streek, door een klein leefgebied te creëren voor kenmerkende planten en dieren.

Hotel_front-streektuinen-scaled

Koop hier een goed bijenhotel

Wij verkopen enkele hoogwaardige bijenhotels voor mensen die de biodiversiteit in hun tuin willen versterken. Bekijk ons aanbod.

Andere verhalen

Herstel van leefgebied voor de heggenrankbij in het IJsseldal: eerste streekeigen heggenranken geplant

Na twee jaar lokale zaden verzamelen en zorgvuldig opkweken, heeft Hoopheggen de eerste heggenranken kunnen uitplanten, in ons gezamenlijke project om de heggenrankbij te versterken in de noordelijke helft van...

Herstelde egels hervinden vrijheid en leefgebied dankzij streektuinen in de Alblasserwaard

Egels gaan sterk achteruit en worden steeds afhankelijker van tuinen. Maar waar tuinen verstenen en worden afgegrendeld met schuttingen, hebben egels geen kans op herstel. De Dierenbescherming en Streektuinen slaan...