Een lentewandeling door een vochtig weiland vol knolsteenbreek naar een bospad tussen slanke sleutelbloemen, eenbes en zwartblauwe rapunzel. Zomerse hooilanden met tientallen soorten bloeiende kruiden en een lucht gevuld met pimpernelblauwtjes. Bosranden vol welriekende agrimonie en oevers vol lange ereprijs. Het ‘zandpad tussen koren door’ (Wim Sonneveld) rood, blauw en geel van de akkerbloemen en heidevelden niet alleen paars, maar ook bontgekleurd met composieten en zandblauwtjes.
Directe aanleiding voor dit artikel over de bijzonderste bloemen van Brabant is het vervolg van ons project voor streekeigen bloemenweides bij vakantiehuisjes van Natuurhuisje, dat vorig jaar begon in Drenthe. Dit jaar leggen we samen met de Brabantse ecologisch hovenier Strijker Groen bijna 100 streekeigen bloemenweides aan bij mooie natuurlocaties in Brabant. Onze hoop is dat ook andere groene tuiniers uit de streek inspiratie kunnen putten uit dit artikel!
Zoals overal in Nederland gaan ook in Brabant wilde bloeiende kruiden sterk achteruit. Maar wie goed kijkt kan lokaal nog de elementen zien van een behoorlijk uniek boeket, dat ooit kenmerkend is geweest voor grote delen van de zand- en leemgronden ten zuiden van de Maas. En wellicht kunnen sommige van die planten ook jouw Brabantse streektuin sieren…
Dat is als Streektuinen onze centrale gedachte: waar in Nederland je ook woont, overal bestaat iconische en zelfs unieke natuur, die jouw streek kenmerkt. En altijd kan je proberen om kenmerkende soorten uit die lokale natuur welkom te heten in jouw tuin – bijvoorbeeld door bijzondere streekplanten een plekje te geven.
Om dit te illustreren hebben we voor elk van de 25 ecologische streken een pagina met allerlei voorbeeldsoorten, tuintips en bijvoorbeeld en streektuinmengsels van kwekerij Cruydt-Hoeck, waardoor het ook voor particulieren overal in Nederland mogelijk is een ‘streekeigen bloemenweide’ te zaaien. (Dat kan bij Cruydt-Hoeck sinds kort ook met streekeigen plantenpakketten.)
Toch is de informatie die wij bieden altijd verre van volledig. We moedigen iedereen dus ook aan om die informatie vooral te zien als voorbeelden ter inspiratie – en om ook zelf op ontdekkingsreis te gaan. Er zijn namelijk altijd nog veel meer manieren waarop je lokale ecologie kunt versterken met jouw tuin.
Om dat punt kracht bij te zetten, helpt het hopelijk als we af en toe eens wat verder inzoomen op één gebied. Dit deden we vorig jaar met een special over ‘De bijzonderste wilde bloemen van Drenthe’. We schreven toen al dat we dit zouden herhalen voor andere gebieden. Zo verscheen recent onze special over de Veluwe, waarin we dieper ingaan op de unieke kansen voor bostuinen (ook elders op de zandgronden).
Hoog tijd voor een special over Brabant!
En zo vinden we het inmiddels ook hoog tijd dat we als Streektuinen een special maken over Noord-Brabant. Nipt na Gelderland is het de provincie met het grootste grondoppervlak. Noord-Brabant is dan ook heel divers, met een aantal heel verschillende landschappen, van zeeklei-akkers in het westen, de wilgengrienden van de Biesbosch, bloemrijke uiterwaarden en oeroude heggen langs de Brabantse Maas – en in het oosten, tussen twee grote breuklijnen in de ondergrond, De Peel. Al deze gebieden hebben hun eigen bijzondere verhaal en hun eigen kenmerkende soorten. Het zijn op onze strekenkaart dus ook allemaal aparte streken: Zuidwestelijke zeekleipolders, Laaglandrivieren, de Brabantse Maasstreek en, hoe kan het ook anders, De Peel.
Al die streken hebben hun eigen bijzondere verhalen, hun eigen kenmerkende planten en dieren – en verdienen dus onze aandacht. Maar in dit artikel gaan we nog een klein beetje verder inzoomen, op het uitgestrekte gebied dat er nog tussenin ligt – het hart van de provincie.
Die streek noemen wij de Brabantse zand- en leemstreek. Zoals de naam al aangeeft, wordt de grens vooral bepaald door de overgang van zeeklei naar zand in het westen en van rivierklei naar zand in het noorden.
En het verschil met De Peel dan? Dat ligt inderdaad iets complexer. Toen De Peel nog een uitgestrekt hoogveengebied was, was het onderscheid helder – de grens was de overgang van cultuurland naar een grotendeels ondoordringbaar moerasgebied. Dat veranderde met de grootschalige turfwinning. De ooit zeer kenmerkende hoogveennatuur van De Peel is nog op een paar plekken bewaard gebleven.

Maar ook op plekken waar het veen volledig verdwenen is, maken wij tegenwoordig nog een onderscheid tussen het gebied aan de noordoostkant van de Peelrandbreuk en ten zuidwesten ervan. Dit heeft te maken met een ander verschil in de ondergrond: fijne zanden en leem in de Brabantse zand- en leemstreek (die tijdens de laatste ijstijd door de wind zijn afgezet) en juist wat grovere zanden in De Peel (die lang geleden door rivieren zijn afgezet en door opheffing van de Peelhorst aan het oppervlak zijn gekomen). Die grovere zanden blijken bijvoorbeeld heel geschikt voor… asperges(!)
Van de Brabantse Wal tot het Bossche blauwgrasland
Zo betekenen verschillen in ondergrond vrijwel altijd óók verschillen in soorten, waaronder bloeiende kruiden. Daar gaan we het zo over hebben. Eerst moeten we nog benoemen dat ook het gebied waar we op willen inzoomen, de Brabantse zand- en leemstreek, ook zelf een divers gebied is, met verschillende authentieke landschappen en iconische natuurtypen.
Dat reikt van de Brabantse Wal helemaal in het westen, de uitgestrekte zandverstuiving van de Loonse en Drunense duinen, de blauwgraslanden van Moerputten tot gebieden waar het eeuwenoude soortenrijke cultuurlandschap bewaard is gebleven, zoals bijvoorbeeld De Brand bij Udenhout, een gebied met vochtige graslanden en oude hakhoutbosjes. Dan zijn er de beekdalen, zoals die van de Mark en de Chaamse beken, de Dommel en de Aa en de eveneens soortenrijke leembossen van Het Groene Woud. En dan zouden we nog bijna de beroemde heidevelden vergeten: van west naar oost onder andere de Kalmthoutse Heide, de Kampina, de Groote Heide en de Stabrechtse Heide.
Die verschillende natuurtypen laten al zien dat ook binnen deze streek de ondergrond varieert, waardoor we zowel de woorden ‘zand’ als ‘leem’ in de naam gebruiken. Die afwisseling van droge, fijne zandgronden en (vaak iets vochtiger) gebieden met een leemrijke ondergrond is het gevolg van een combinatie van verstuiving en beekvorming binnen de eerder gevormde ijstijdafzettingen. En uiteindelijk zien we ook die subtiele bodemverschillen terug in het zeer gevarieerde bloemenboeket van de streek.
Brabantse lentebloeiers: knolsteenbreek en slanke sleutelbloem
Ja, hoog tijd om het over de bijzondere bloemen van Brabant te hebben. Laten we beginnen met – tegenwoordig – een echte zeldzaamheid: de knolsteenbreek. Deze prachtige witte bloeier is in mei niet te missen, omdat de bloemstengels met 30 tot 60 centimeter al gauw een stuk boven het gras uitsteken.

Knolsteenbreek is in Nederland een zuidelijke soort, die eigenlijk alleen lokaal voorkomt op lemige grond in de Limburgse Maasvallei, het Geuldal en nog in een aantal leemrijke gebieden in Noord-Brabant, waaronder het Groene Woud en het beekdal van de Mark ten zuiden van Breda. Knolsteenbreek kan niet tegen bemesting, maar wel tegen begrazing – waardoor in extensief begraasde weilanden, als de omstandigheden goed zijn, deze verder zeldzame soort lokaal nog een witte bloemenzee kan vormen.
Een andere al even kritische, maar typisch Brabantse voorjaarsbloeier, is de slanke sleutelbloem. Het is een van de vele soorten voorjaarsflora die van oorsprong in of rond de maand april hoort te bloeien op de bodem van ‘gezonde’, kalkrijke loofbossen. Met name op de zandgronden gaat de slanke sleutelbloem sterk achteruit door de verzuring van bossen. De soort is in Nederland vooral nog te vinden in Zuid-Limburg, delen van Twente en de Achterhoek – en in Noord-Brabant, waar die met name in de leembossen van het Groene Woud nog een echt bastion heeft. De slanke sleutelbloem groeit en bloeit er vaak samen met de bosanemoon en de nog zeldzamere eenbes, knikkend nagelkruid en zwartblauwe rapunzel.

Bijzondere streekbloemen met vlinderverhalen
Door naar een van de Brabantse bloemen met misschien wel het meest bijzondere streekverhaal. We hebben het over de grote pimpernel. Het is een oude hooilandsoort met kenmerkende donkere bloemhoofdjes die hoog boven de verdere vegetatie uitsteken. Aangezien hooilanden zijn verdwenen, is ook deze bloem sterk achteruitgegaan. Er zijn in Nederland nu nog drie bolwerken: het noordelijk deel van de provincie Overijssel (Weerribben, de Regge en het Vechtdal), een klein gebied langs de Limburgse Maas en het grootste nog bestaande gebied is een omvangrijk deel van Brabant, grofweg tussen de steden Den Bosch, Tilburg en Breda.

Natuurliefhebbers weten: deze bloem is meer dan een bloem – deze bloem is een verhaal, een verhaal over een intrigerende vlinder: het pimpernelblauwtje. Deze kleine blauwe dagvlinder komt nog maar op één plek voor in Nederland, de blauwgraslanden van de Moerputten, ten zuidwesten van Den Bosch. (Maar er zijn daar kansen op uitbreiding, ook voor deze vlinder – zie het slot van dit artikel.)
Het pimpernelblauwtje is voor de rupsen volledig afhankelijk van de grote pimpernel én van de aanwezigheid van bepaalde mierensoorten, die de zorg voor de rups en pop overnemen. Het is een van de vele wonderlijke verhalen over samenleven in de Nederlandse natuur.
Over vlinders gesproken: ook de blauwe knoop kan in een Brabants streekboeket niet ontbreken. Deze prachtige bloeier geeft vanaf de tweede helft van de zomer kleur aan niet al te droge graslanden en trekt vanwege de ruime hoeveelheid nectar dan veel vlinders aan. Landelijk is blauwe knoop sterk achteruit gegaan. De plant komt nog het meeste voor in Drenthe en Overijssel, maar hoort ook in Brabant van oorsprong de blauwgraslanden en beekdalen te kleuren.

Echte Brabantse icoonbloemen: lange ereprijs en welriekende agrimonie
En wat zien wij nou eigenlijk als dé Brabantse streekbloem bij uitstek? Als we er één zouden moeten kiezen, is dat de welriekende agrimonie. Het blad verraadt dat welriekende agrimonie tot de aardbeifamilie behoort. Vanaf juni torenen daar lange aren met kleine gele bloemen bovenuit.
Misschien ken je de gewone agrimonie, een nauwe verwant. Die kan je met wat geluk tegenkomen langs bloemrijke uiterwaarden en dijken langs de grote rivieren en in Zeeland. De welriekende agrimonie lijkt er op het eerste gezicht wel op, maar is nog een stuk zeldzamer. Naast uiterlijke verschillen verraadt de naam al een andere eigenschap: een lekkere geur. Die komt niet uit de bloemen, maar uit het blad, dat bij licht wrijven een appeltjesgeur verspreidt.
Het belangrijkste verspreidingsgebied in Nederland bestaat uit de leemrijke gronden in de driehoek tussen Den Bosch, Tilburg en Eindhoven – alhoewel de plant ook elders in Brabant in kleine aantallen te vinden is. Welriekende agrimonie verdraagt ook halfschaduw en komt van nature ook voor als zoomplant langs vochtige bosranden.

Een andere goede kandidaat voor Brabantse icoonbloem is de lange ereprijs, behalve dat deze bloem kenmerkend is voor twee gebieden in Nederland, het stroomgebied van de Dommel én het stroomgebied van de Overijsselse Vecht. Daarbuiten is lange ereprijs (of aarereprijs) in de natuur heel zeldzaam, maar wordt die lokaal wel verwilderd vanuit tuinen aangetroffen – om maar aan te geven dat deze inheemse bloeier óók een schitterende tuinplant is. De bloeiwijze met de lange, gebogen aren, voegt veel toe aan een streekeigen bloemenweide – en dus ook aan het denkbeeldige streekboeket dat we gaan plukken.
Typisch Brabantse akkerbloemen
Passen daar ook nog een paar eenjarigen tussen? Wat ons betreft wel. Want ook sommige eenjarige bloeiers kunnen kenmerkend Brabantse soorten genoemd worden. Het gaat dan om een aantal klassieke akkerbloemen: soorten die vroeger algemeen voorkwamen op en langs graanvelden.
In de intensieve akkerbouw komen deze soorten tegenwoordig niet meer voor, maar toch weten een aantal te overleven in het landschap. Daar zijn deze lichtkiemers overigens wel afhankelijk van terugkerende bodemverstoring: waar een gesloten grasmat ontstaat, verdwijnen de akkerbloemen.
De helderrode grote klaproos komt nog relatief veel voor in het westelijke deel van Noord-Brabant en de blauwe korenbloem juist relatief veel in het midden en oosten van de provincie, waaronder ook De Peel. En ook de gele ganzenbloem komt in het midden en oosten van Brabant nog relatief veel voor, waar deze akkerbloem naast graanvelden vroeger ook te vinden was in aardappel- en erwtenakkers. Ook het veel teerdere, maar prachtige eenjarige zandblauwtje, komt in Nederland nog het meest voor op de Brabantse zandgronden, onder andere in (zeer) schrale bermen.

Vanzelfsprekend is de lijst van kenmerkende inheemse veldbloemen nog veel groter. Dat blijkt al als je de samenstelling van de streektuinmengsels voor bijvoorbeeld de Brabantse zand- en leemstreek, De Peel en de Brabantse Maasstreek bekijkt. In die mengsels worden zeldzame inheemse planten bovendien afgewisseld met meer algemene inheemse bloeiende kruiden. Die algemenere soorten zijn vaak van zeer grote waarde voor bestuivende insecten. Denk aan planten als knoopkruid, rolklaver of de gewone margriet. Het zijn soorten met zeer hoge sierwaarde die ook van oorsprong thuishoren in het Brabantse landschap.

De rijkdom is nog véél groter (en herstel is mogelijk)!
Tot slot willen we ook hier graag zeggen dat de natuurlijke rijkdom van een streek niet in één artikel te vatten is – en dat er in de Brabantse zand- en leemstreek nog veel meer bijzondere planten voorkomen. Om dat te illustreren moeten we nog één klein uitstapje maken. Eerder hadden we het al over de zeer soortenrijke blauwgraslanden van de Moerputten, bij Den Bosch.
Zulke blauwgraslanden zijn heel zeldzaam geworden: in een eeuw tijd is in Nederland 99 procent verloren gegaan.
De Moerputten is dus een zeldzaam succesverhaal. Maar als we het over de Moerputten hebben, dan moeten we het ook over de aangrenzende gebiedjes hebben: de Vughtse Gement en Bossche Broek ten oosten en het Vlijmens Ven ten westen. Ook hier bevinden zich uitzonderlijk mooie bloemrijke graslanden, vol ratelaar, walstro, zeldzaamheden als parnassia en tal van orchideeën.
Bij een grote inventarisatie een paar jaar terug werden in deze natuurgebiedjes onder Den Bosch 125 ‘belangrijke plantensoorten’ gevonden, waaronder 44 Rode Lijst-soorten. En het Vlijmens Ven brak toen zelfs een nationaal natuurrecord: binnen één meetblok van 3 bij 3 meter werden maar liefst 88 verschillende plantensoorten ontdekt. Zo ontzettend rijk aan biodiversiteit kan een natuurlijk (blauw)grasland zijn! En dan te bedenken dat dit een nieuw natuurontwikkelingsgebied is, pal naast een grote stad.
Onze conclusie: natuurherstel is mogelijk. En ook op kleine schaal kunnen wij daaraan bijdragen. Bijvoorbeeld met jouw tuin! En hopelijk helpen ook de bijna 100 streekeigen bloemenweides die we dit jaar in Brabant aanleggen daaraan mee!