Hoog tijd voor een reis door de Twentse flora. Van (stiekem prachtige) rariteiten met een menselijke vingerafdruk tot écht Twentse zeldzaamheden, zoals muurhavikskruid, de kleine gele dovenetel en de schedegeelster – en alles ertussenin, zoals velden vol margrieten. In gedachten maken we deze streekreis in gezelschap van niemand minder dan Victor Westhoff, de beroemde plantenpionier die het meest hield van Twente.
In de natuur leven soorten in samenhang – en dat geldt ook voor planten. Zo staan in oude Twentse bossen grote muur, bosanemoon, slanke sleutelbloem, de ‘echte’ gele dovenetel en geelsterren vaak op vergelijkbare plekken.
Spaanse ruiter, beenbreek, klokjesgentiaan, blauwe knoop en parnassia horen, samen met allerlei mossen, grassen en zeggesoorten, naast elkaar in Twentse blauwgraslanden, waar nog maar een paar hectare van over is. En ook Twentse stroomdalgraslanden, ’s zomers kurkdroge zandige oevers die ’s winters bij hoge winterstanden overstromen door het kalkrijke water van de Dinkel, hebben hun eigen boeket, met steenanjer, grasklokje, geel walstro en heel lokaal ook grote tijm.
Die natuurlijke, oorspronkelijke samenhang van bloeiende kruiden en andere planten in verschillende landschapstypen wordt in de vegetatieleer aangeduid als ‘plantengemeenschappen’. Die zijn voor Nederland tot in hoog detail beschreven door de beroemde botanicus en hoogleraar Victor Westhoff, onder andere in zijn boek Plantengemeenschappen in Nederland, uit 1969.
Westhoff zette zich in voor natuurbescherming door heel Nederland. Zijn favoriete landschap? Twente. Maar iedere natuurliefhebber geboren in het begin van de twintigste eeuw (1916 om precies te zijn) heeft vooral veel teloorgang moeten meemaken, waaronder het verdwijnen (door overbemesting en drainage) van meer dan 100.000 hectare zeer bloemrijke hooilanden en de ruilverkaveling, waardoor overal eeuwenoude groene structuur uit het landschap verdween – zoals in Twente het beroemde coulissenlandschap, met kleine kavels afgewisseld met eindeloze rijen houtwallen – schatkamers voor biodiversiteit.
Wij mochten de leerling én opvolger van Westhoff, hoogleraar plantecologie Joop Schaminée – tevens oprichter van het Levend Archief – een paar jaar terug interviewen over de relatie van Westhoff met het Twentse landschap. Onderstaande fragment komt uit dat artikel:
Westhoff was aan het einde van zijn leven weinig optimistisch, zegt Schaminée. “Hij heeft tientallen jaren achteruitgang meegemaakt van de Nederlandse natuur, ingezet door ruilverkaveling, verstedelijking en steeds verdere intensivering van de landbouw.”
Dat deed hem veel pijn, vertelt Schaminée, die als student en jonge onderzoeker veel tijd doorbracht met de in 2001 overleden Westhoff. “Zijn meest geliefde landschap lag in Twente. Hij wilde daar jarenlang niet meer terugkeren, omdat er zo veel verloren was gegaan. Uiteindelijk hebben we hem overgehaald om het resultaat van natuurherstel te bekijken bij Ootmarsum.”
Een stuk krentenwegge etend op een boerenerf bekende Westhoff aan Schaminée dat het zijn verwachtingen overtrof. “Natuurherstel is misschien toch mogelijk.”
Laat het ons inspireren om ook door die bril naar het landschap te kijken. Wetend wat er verloren is, maar ook ziende wat er behouden is – én hoe die rijkdom voor de toekomst versterkt kan worden. Daarom hebben wij als Streektuinen nu ook een special geschreven over de bijzonderste wilde bloemen van Twente, na eerdere soortgelijke specials over Drenthe, Brabant en de Veluwe.

Leemrijke bossen, kalkrijke oevers, kleine kavels en houtwallen
Om te snappen waarom het ook in het kleine Nederland mogelijk is dat elke streek z’n eigen kenmerkende plantensoorten heeft, is het belangrijk om te begrijpen waar die verschillen vandaan komen: het landschap en de ondergrond – en soms zelfs de subtiele verschillen in het klimaat.
Twente wordt vaak snel tot ‘de oostelijke zandgronden’ gerekend. Maar die zandgronden kunnen lokaal behoorlijk van samenstelling verschillen. Voor wie wat beter naar de (hoogte)kaart kijkt, weet dat Twente ook stuwwallen heeft, zoals de Sallandse Heuvelrug, de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug verder naar het westen. Toch zijn de Twentse stuwwallen anders: er zit meer klei en leem in de opgestuwde lagen. Hierdoor wordt vocht beter vastgehouden en spoelen belangrijke mineralen minder snel weg. Het effect van deze menging van klei en leem door het zand, zien we in de Twentse loofbossen, waar ondergroeisoorten behouden zijn die elders zijn verdwenen door verzuring.

Ook de Dinkel is beeldbepalend. Een grensrivier die bij Losser Nederland binnenstroomt en na 46 kilometer aan meanders door het Twente landschap een stuk noordelijker bij Lattrop weer naar Duitsland stroomt (om vervolgens in de Vecht uit te monden). De Dinkel en de Vecht vertonen meer overeenkomsten: ze ontspringen allebei uit kalksteenlagen in het bekken van Münster. Het water van deze rivieren is dus relatief kalkrijk – en dat zien we terug in de begroeiing van het stroomdal van de Dinkel, dat met soorten als steenanjer, tijm, grasklokje en geel walstro lijkt op dat van de Vecht. Ook lange ereprijs is een prachtige bloeier die van oorsprong in Nederland thuishoort langs de oevers van de Dinkel en de Vecht (en de Dommel in Brabant).
Dan zijn er in Twente de beeldbepalende landgoederen. Bekend is bijvoorbeeld het middeleeuwse landgoed Twickel, bij Delden, met kruidenrijk grasland en omvangrijke meidoornheggen. Minstens zo interessant is Landgoed Singraven, bij Denekamp. Het is beroemd om de oude watermolen. Minder bekend is dat hier ook eeuwenoud hakhout staat, met wilde winterlindes.
En dan is er nog het beroemde coulissenlandschap, met van oorsprong kleinschalige landbouwkavels, gescheiden door eeuwenoude houtwallen. Die Twentse houtwallen zijn een schatkamer van biodiversiteit. Lokaal komen er nog zeer zeldzame autochtone groeiplekken voor van bijvoorbeeld de mispel, de wilde appel, de nog zeldzamere wilde peer, de fladderiep, de winterlinde en zelfs de wilde zomerlinde – die buiten Zuid-Limburg verder bijna overal verdwenen is.

Snelwegsoorten en voorjaarsbloeiers
Gauw door naar opvallende bloeiende kruiden van het Twentse landschap. Een van de meest kenmerkende ‘wilde’ bloemen van Twente, is helaas helemaal geen inheemse wilde plant. Het gaat om vaste lupine, die van oorsprong thuishoort in de Rocky Mountains en de Amerikaanse westkust. Nergens in Nederland zie je deze lupinesoort zoveel als in Twente, waar die het goed doet in droge, zonnige wegbermen, ook langs snelwegen.
Als we dan toch beginnen met ‘Twentse’ snelwegsoorten, is er nog een opvallende kandidaat, waar de mens een rol in heeft gespeeld. Het gaat om Engels gras. Deze prachtige, lage roze bloeier is gelukkig wél inheems, maar hoort van oorsprong eigenlijk helemaal niet thuis in Twente, maar langs de Nederlandse zeekusten en op de waddeneilanden. Dat komt omdat het gaat om een zouttolerante soort. Maar als we kijken naar de verspreiding van Engels gras, dan heeft deze soort er door de mens een tweede bolwerk bij gekregen, namelijk de bermen van de A1 van Oldenzaal tot ongeveer Holten (en ook een stuk over de Veluwe ten westen van Apeldoorn). Reden? De gladheidsbestrijding heeft op deze hoge, droge snelweg jarenlang gigantische hoeveelheden strooizout gedumpt, waardoor de lokale wegbermen er inmiddels doen denken aan een zandige kwelderrug.
Gelukkig zijn er nog veel andere kenmerkend Twentse bloemen overgebleven die wel van oorsprong thuishoren in dit landschap. Het Twentse bloeiseizoen begint heel nadrukkelijk al in het vroege voorjaar, met de voorjaarsflora op de bodem van ‘rijke’, ‘gezonde’ loofbossen. Dat zijn bossen die, vaak doordat ze wat leem in de bodem hebben, nog relatief kalkrijk zijn – en daarmee beter bestand tegen de schadelijke effecten van verzuring (alhoewel die verzuring ook op de Twentse zandgronden een groot probleem is).
Vooral de hoeveelheid grote muur is in april en mei opvallend – soms een tapijt van stralende witte bloemen. Ook bosanemoon kan in Twente dit effect nog geven. Zeldzamer zijn de slanke sleutelbloem, zwartblauwe rapunzel en geelsterren zoals de bosgeelster en de schedegeelster, prachtig geel bloeiende bolgewassen uit de leliefamilie. Beide kunnen echt gezien worden als Twentse icoonsoorten – waarbij Twente nog het belangrijkst is voor de schedegeelster, die verder in Nederland alleen in het noorden van Drenthe een bolwerk heeft.
Verder is Twente de belangrijkste streek voor de ‘echte’ gele dovenetel. Heel Nederland staat inmiddels vol met een verwilderde tuinplant, de bonte gele dovenetel (die behoorlijk kan woekeren). Dit is echter een cultivar. De wilde versie is behoorlijk zeldzaam en is in Nederland alleen in grote aantallen te bewonderen in Twente, het gebied rond Winterswijk en Zuid-Limburg. Ook de nog veel zeldzamere kleine gele dovenetel komt in Twente nog op één plek voor (en daarnaast heel lokaal in het westen van Brabant).

Margrieten en allerlei havikskruiden
Door naar de zomerbloeiers. Heel lokaal komt in kalkrijke, schrale bermen duifkruid voor. Iets algemener, maar nog steeds in de categorie zeldzaam, is blauwe knoop. Een andere zeldzame Twentse vochtminner is de kleine valeriaan, die verder in Nederland het meest voorkomt in het noordwesten van Overijssel.
Op de wat rijkere gronden in Twente voelt ook knoopkruid zich goed thuis – samen met de gewone margriet, die in Twente een van z’n hoogste dichtheden van heel Nederland bereikt. Ook muskuskaasjeskruid is een prachtig bloeiende concurrentiekrachtige soort die heel geschikt is voor inheemse tuinen en nog relatief veel kan worden aangetroffen in het Twentse landschap.
In Twente komen verder veel soorten havikskruiden voor, waarvan schermhavikskruid en stijf havikskruid de hoogste dichtheden bereiken in de streek. Ook boshavikskruid is een ’typisch Twentse soort’. Boshavikskruid komt vrij veel voor in Twente en de Achterhoek en is van nature juist opvallend afwezig in Drenthe. De fraaie, vrije grote nazomerbloeier is een zoomplant, die in het landschap thuishoort bij bosranden en houtwallen en in ecologische tuinen dus redelijk wat schaduw verdraagt.
Dan is er bijvoorbeeld nog het zeer zeldzame spits havikskruid, dat veel kleiner is en juist al in mei begint met bloeien. Spits havikskruid is sinds het midden van de twintigste eeuw vrijwel volledig uit Nederland verdwenen, en komt nu alleen nog heel lokaal voor in Zuid-Limburg, op één plek bij Nijmegen en op een paar plekken in Twente. Ook muurhavikskruid is een zeldzame vroege bloeier, die specifiek in Twente nog te vinden is.
Al deze havikskruiden – en de grotere groep van ‘gele composieten’ waar ze toe behoren – zijn uiterst waardevol voor bestuivende insecten, waaronder allerlei soorten groefbijen en bijvoorbeeld de kleine en grote roetbij, twee opvallend donkere zandbijen die in Twente lokaal voorkomen.

Zoals altijd zijn onze specials over streekbloemen verre van volledig. Het is een greep uit de Twentse flora, die hopelijk tot inspiratie kan dienen voor wie een echte Twentse streektuin wil inrichten. Maar aangezien de werkelijke wilde flora veel groter is, is het ook altijd goed om te werken met planten die al aanwezig zijn. Heb je een Twents gazon dat vol staat met kruipend zenegroen, hondsviooltjes of gewone brunel? Omarm die soorten dan ook vooral als streekbloemen. Of een vochtig veld vol echte koekoeksbloem en wilde bertram? Ook dat is het oorspronkelijke Twente.
Wie from scratch wil beginnen met een nieuwe ecologische tuin, kan bovengenoemde soorten los zaaien of planten. Kies dan wel voor een kweker die werkt met lokaal Nederlands zaad als uitgangsmateriaal. Op onze website vind je een overzicht van dergelijke kwekers. Wie op particuliere grond een Twentse bloemenweide wil inzaaien, raden we vanzelfsprekend het Twentse streektuinmengsel van Cruydt-Hoeck aan, als prachtig bloeiende basis met maar liefst dertig verschillende soorten, waarvan er in deze selectie 24 staan getoond:
