Versterking van de sleedoornpage met tuinen in het Vechtdal en IJsseldal

Streektuinen zet zich in twee streken in Nederland samen met lokale tuineigenaren in voor het behoud van de sleedoornpage. Het uiteindelijke doel van dit project is deze twee leefgebieden (weer) met elkaar te verbinden.

De sleedoornpage is een zeldzame dagvlinder die nog op een aantal plaatsen voorkomt in Nederland. De populatie gaat landelijk nog steeds achteruit. Belangrijkste oorzaak is vermoedelijk de sterke achteruitgang van groene landschapselementen met sleedoorn, zoals heggen en houtwallen.

Dat betekent dat de voornaamste oplossing is om sleedoorn weer terug te planten in het landschap. En dat doen we dan ook op redelijk grote schaal. Daarbij richten we ons onder andere op kleine tuinen in de bebouwde kom (één of twee van deze prachtige bloesemstruiken in een voortuin, kunnen voor de vlinder al een groot verschil maken: lees bijvoorbeeld ons verhaal over de streektuin van Nick Vledder uit Hattem of beluister ons interview daarover op Vroege Vogels) en op de aanleg van grotere gemengde struweelheggen in het buitengebied. Deze struweelheggen bestaan doorgaans voor 50 procent uit sleedoorn, en voor de overige 50 procent uit een mengeling van andere ecologisch waardevolle streekgebonden struiken, zoals tweestijlige meidoorn, wegedoorn, heggenroos, egelantier, rode kornoelje, veldesdoorn, Gelderse roos en sporkehout.

In de video hieronder zie je onze uitdeelactie van (onder andere) autochtone sleedoorn voor tuinen in en rond Zwolle – een belangrijk bolwerk voor de sleedoornpage. Ellis van der Zee, de vrouw op het einde van de video vond gelijk het jaar erop al eitjes van de sleedoornpage op de vier sleedoorns die ze heeft geplant in haar achtertuin!

We hebben binnen dit project nog veel meer leuke video’s die je kunt bekijken, bijvoorbeeld:

Wij richten ons op twee kerngebieden voor de sleedoornpage: het IJsseldal en het Vechtdal. In delen van het IJsseldal doet de vlinder het relatief goed, met name binnen stedelijk gebied – en dan specifiek Arnhem en Zwolle. In de winter van 2024-2025 heeft Streektuinen een grote hoeveelheid sleedoorns uitgedeeld in de buurt van Deventer en voor de omgeving van Zwolle.

Datzelfde jaar deden we dat ook in Hardenberg en Ommen in het Vechtdal. Het Overijsselse Vechtdal herbergt volgens de Vlinderstichting de een-na-laatste ‘natuurlijke populatie’ van de sleedoornpage, dat wil zeggen een plek waar deze nog puur afhankelijk is van een oorspronkelijk natuurlandschap. (Dit is ook nog het geval in Zuid-Limburg.) Toch heeft ook de populatie in het Vechtdal – die zich concentreert rond wilde sleedoornstruwelen in stroomdalgraslanden van bijvoorbeeld het Junner Koeland – te lijden onder een achteruitgang van de hoeveelheid sleedoorn, met name in het cultuurlandschap.

In de winter van 2025-2026 heeft Streektuinen daarom samen met Vereniging Natuur en Milieu de Vechtstreek opnieuw enkele duizenden sleedoorns geplant en uitgedeeld om ook dit kerngebied langs de Overijsselse Vecht te versterken. Ook hier was weer een belangrijke rol weggelegd voor tuinen in de bebouwde kom – en voor gemengde struweelheggen op erven in het buitengebied.

Al het gebruikte plantgoed – van alle soorten waar wij mee werken – is altijd autochtoon (dat wil zeggen opgekweekt uit lokale wilde populaties). De sleedoorn die we in 2024-2025 uitdeelden in het IJsseldal was zelfs genetisch afkomstig uit wilde sleedoornstruwelen langs de IJssel – en de sleedoorn die we in 2025-2026 plantten en uitdeelden in Ommen was genetisch afkomstig uit wilde populaties uit de gemeente Ommen. Dit is allemaal mogelijk dankzij een specialistisch kweekprogramma voor autochtone bomen en struiken van Staatsbosbeheer – een onmisbaar initiatief om tal van populaties te kunnen herstellen.

Tot slot werken wij in dit project natuurlijk samen met onze partner de Vlinderstichting. Zij zijn in heel Nederland onmisbaar als onder andere kenniscentrum voor dagvlinders, nachtvlinders én libellen, als aanjager van ecologisch bermbeheer bij gemeenten en andere overheden – en bijvoorbeeld voor de monitoring met toegewijde vrijwilligers van vlinders en (als je toch bezig bent) hommels. Hier kan je je aanmelden als je ook vrijwilliger wilt worden voor de Vlinderstichting.

Die vlindermonitoring gebeurt meestal met vaste looproutes tijdens de vliegtijd in lente en zomer, maar voor de sleedoornpage is nog iets anders bedacht: eitjes tellen- en dat doe je juist in de wintermaanden, als de sleedoorn kaal is. Eitjes zijn dan – na lang speuren – te vinden als piepkleine witte halfronde balletjes in de oksels van jonge twijgen.

Het heeft te maken met de bijzondere levenscyclus: de vlinder is in juli en vooral augustus aan de grond te vinden als deze nectar drinkt, maar daarnaast vaak hoog n de bomen. Het eitje daarentegen zit maandenlang op de tak: het kan er al eind juli worden afgezet en pas n april openbreken, als een piepklein rupsje direct na de bloei van de sleedoorn van het ontluikende blad wil profiteren. 

In onderstaande video van Streektuinen zie je expert Menno Venema van de Vlinderstichting samen met vrijwilligers die zich in Ommen hebben ingezet voor de aanplant van sleedoorns:

Maar waarom richten we ons eigenlijk op de sleedoornpage? Ten eerste natuurlijk omdat het een mooie en intrigerende vlinder is waarvan we graag zouden zien dat die zich weer van Zeeland tot Groningen zou verspreiden over z’n volledige oorspronkelijke leefgebied in Nederland.

Maar wij zien de sleedoornpage – ook omdat die goed te monitoren is met eitjestellingen – ook als iets anders: een belangrijke indicatorsoort. De aanwezigheid van deze kritische vlinder zegt namelijk iets over de gezondheid van het sleedoornbestand. Op plekken waar nog veel sleedoorn in het landschap staat, weet deze zeldzame dagvlinder te overleven. Maar daar kan je dan gelijk een heel ecosysteem omheen denken. De overvloedige sleedoornbloesems zijn samen met wilgen de belangrijkste bronnen van stuifmeel en nectar voor allerlei soorten voorjaarsbijen en vroege zweefvliegen. En bijvoorbeeld in het Vechtdal komen nog tenminste vijf soorten nachtvlinders voor die geheel of grotendeels van sleedoorn afhankelijk zijn als waardplant, zoals de sleedoornpedaalmot, de sleedoornhangmatmot, de sleedoornzebramot, de pruimenballonmot en de sleedoornvouwmot – terwijl in het IJsseldal de zeldzame sleedoorndwergbladroller en de sleedoornblaasmijnmot nog heel lokaal te vinden zijn. Het Vechtdal is bovendien naast Limburg de enige vindplaats van de zeldzame sleedoornblindwants.

Bloeiende sleedoorn met wimperflankzandbij, in Junner Koeland
Bloeiende sleedoorn met wimperflankzandbij, in het Junner Koeland. Het is een van de vele bijen en andere bestuivers die in april profiteren van de sleedoornbloesems. Ook de lokaal voorkomende sleedoornpage is van deze streekkenmerkende struik afhankelijk.

En dan moeten we het natuurlijk nog over vogels hebben: die profiteren in het najaar van de op kleine pruimen lijkende bessen, bouwen veilige nesten in het hechte doornnetwerk. En op plekken met echt volgroeide sleedoornstruwelen kan al dat leven nog bekroond worden door de grauwe klauwier.

Sleedoorn is dus een ontzettende waardevolle inheemse struik – en als de vlinder er zit, is de kans groot dat er nog veel meer moois te vinden is!

Dit project is verbonden met twee andere wat ruimere Streektuin-projecten, namelijk ons project voor streekeigen struwelen (door heel Nederland) en een project voor versterking en verbinding van stroomdalnatuur in het Vechtdal. Onderstaande foto van een sleedoornpage is geschoten in Zwolle door Bram Brokelman.

Sleedoornpage op late guldenroede. Foto: Bram Brokelman, Zwolle.

Partners